Let op: de inhoud van de berichten weerspiegelt de situatie zoals ze op het ogenblik van publicatie van toepassing was. Het is dus mogelijk dat sommige berichten ondertussen verouderd zijn.

Gordeldracht en kinderbeveiligingssystemen

op .

Op 25 augustus 2006 verscheen koninklijk besluit van 22 augustus 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.  Dit koninklijk besluit regelt het vervoer van kinderen in voertuigen en wijzigt de reglementering inzake de gordeldracht.

Daarnaast verscheen het ministerieel besluit van 22 augustus 2006 waarbij de modaliteiten van afgifte en het model van de vrijstellingen van het verplicht gebruik van de veiligheidsgordel en het kinderbeveiligingssysteem op grond van gewichtige medische tegenindicaties worden bepaald.

Deze reglementering treedt in werking op 1 september 2006.

1. Auto ‘s

1.1. Basisprincipe veiligheidsgordel

De bestuurder en de passagiers van auto’s die aan het verkeer deelnemen, moeten de veiligheidsgordel dragen, op de plaatsen die ermee zijn uitgerust.

1.2. Vervoer van kinderen

Kinderen van minder dan 18 jaar en kleiner dan 135 cm moeten worden vervoerd in een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem.

In afwijking hiervan, mag, in voertuigen bestemd voor het vervoer van personen met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en in voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 3,5 ton:

  • wanneer het na installatie van twee kinderbeveiligingssystemen, niet mogelijk is nog een derde kinderbeveiligingssysteem te installeren en deze beveiligingssystemen in gebruik zijn, op de andere zitplaatsen dan de zitplaatsen voorin in het voertuig, een derde kind van 3 jaar of ouder en kleiner dan 135 cm worden vervoerd, indien het de veiligheidsgordel draagt.  Tot 09 mei 2008 is deze afwijking ook van toepassing voor een derde kind van minder dan 3 jaar en kleiner dan 135 cm.
  • in geval van incidenteel vervoer over korte afstand, waarin geen of een onvoldoend aantal kinderbeveiligingssystemen beschikbaar is, op de andere zitplaatsen dan de zitplaatsen voorin in het voertuig, kinderen van 3 jaar of ouder en kleiner dan 135 cm worden vervoerd, indien zij de veiligheidsgordel dragen. Dit geldt niet met betrekking tot kinderen waarvan een ouder het voertuig bestuurt.

Met “incidenteel” wordt de afwezigheid van een zekere regelmaat bedoeld.

Op de zitplaatsen die niet zijn uitgerust met een veiligheidsgordel worden geen kinderen vervoerd van minder dan 3 jaar.

Op de zitplaatsen voorin die niet zijn uitgerust met een veiligheidsgordel worden geen  kinderen vervoerd van minder dan 18 jaar en kleiner dan 135 cm.

1.3. Uitzonderingen met betrekking tot het vervoer van kinderen

De voornoemde reglementeringen (behoudens de afwijkingen) inzake het vervoer van kinderen zijn niet van toepassing in :

  • voertuigen bestemd voor het vervoer van personen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend;
  • voertuigen bestemd voor het geregeld vervoer van personen (bv. een Lijnbus);
  • voertuigen bestemd voor de bijzondere vormen van geregeld vervoer van personen (bv. een schoolbus);
  • taxi’s.

In taxi’s waarin geen kinderbeveiligingssysteem aanwezig is, worden kinderen van minder dan 18 jaar en die kleiner zijn dan 135 cm op een andere zitplaats dan een van de zitplaatsen voorin in het voertuig vervoerd.

1.4. Voertuigen met een voorairbag

Kinderen van minder dan 18 jaar worden niet in een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem op een passagierszitplaats met een voorairbag vervoerd, tenzij deze airbag is uitgeschakeld of automatisch op toereikende wijze wordt uitgeschakeld.

2. Motorvoertuigen, andere dan auto’s

De bestuurder en de passagier van motorvoertuigen die aan het verkeer deelnemen andere dan auto’s, moeten de veiligheidsgordel dragen op de plaatsen die ermee zijn uitgerust.

De kinderen van minder dan 3 jaar moeten worden vervoerd in een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem.

Kinderen van 3 jaar of meer en minder dan 12 jaar moeten worden vervoerd in een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem, of de veiligheidsgordel dragen.

3. Wijze van gebruik

De veiligheidsgordel en het kinderbeveiligingssysteem worden gebruikt op een wijze die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden.

4. Verplichting

Aan de passagiers van voertuigen bestemd voor het vervoer van personen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, wordt de verplichting om de veiligheidsgordel te dragen op minstens één van de volgende manieren meegedeeld :

  • door de bestuurder;
  • door de controleur, de reisleider of een als groepsleider aangewezen persoon;
  • met behulp van audiovisuele middelen;
  • door opschriften en/of het onderstaand pictogram, duidelijk aangebracht op iedere zitplaats.

5. Vrijstellingen

Worden evenwel vrijgesteld van het verplicht gebruik van de veiligheidsgordel en het kinderbeveiligingssysteem :

  • de bestuurders die achteruit rijden;
  • de bestuurders van taxi’s wanneer zij een klant vervoeren;
  • de bestuurders en de passagiers van de prioritaire voertuigen, wanneer de aard van hun opdracht het rechtvaardigt;
  • de personen die in het bezit zijn van een vrijstelling op grond van gewichtige medische tegenindicaties afgeleverd door de Minister bevoegd voor verkeersveiligheid, of zijn gemachtigde, of, indien zij in het buitenland wonen, door de bevoegde instanties van dat land.

6. Opheffing vrijstellingen

Vanaf 1 september 2006 worden volgende vrijstellingen opgeheven :

  • de bezorgers wanneer zij achtereenvolgens bij korte afstand van elkander gelegen plaatsen, goederen afleveren of ophalen;
  • de bestuurders met een lichaamslengte van minder dan 1,50 m.

Deze bestuurders moeten dus vanaf 01 september 2006 de veiligheidsgordel dragen.

7. Vrijstelling op grond van gewichtige medische tegenindicaties

7.1. Vertoon

Deze vrijstelling moet worden vertoond op elk door een bevoegd persoon gedaan verzoek.

7.2. Aanvraag

De vrijstelling moet schriftelijk worden aangevraagd bij de «Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer – Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid – City Atrium – Vooruitgangstraat 56, 1210 Brussel ».

Bij de aanvraag moet een doktersattest gevoegd worden, afgeleverd door een door belanghebbende gekozen dokter. Dit attest moet overeenstemmen met het model dat hieronder weergegeven is.

7.3. Nieuw model van de vrijstelling

De vrijstelling stemt overeen met het model dat hieronder weergegeven is.

7.4. Modaliteiten

De vrijstelling is strikt persoonlijk.

De titularis van de vrijstelling kan er een duplicaat van bekomen wanneer zij verloren, gestolen, vernietigd, beschadigd of onleesbaar is.

Dit duplicaat moet schriftelijk worden aangevraagd bij de «Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer – Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid – City Atrium – Vooruitgangstraat 56, 1210 Brussel ».

De beschadigde of onleesbare vrijstelling moet aan hetzelfde adres worden teruggezonden.

Indien de vrijstelling voor een beperkte termijn werd afgeleverd, moet zij aan Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer – Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid» worden teruggezonden binnen de acht dagen na het verstrijken van die termijn.

De vrijstellingen van de draagplicht van de veiligheidsgordel, uitgereikt vóór de inwerkingtreding van dit besluit blijven geldig.

8. Overgangsbepaling

De kinderbeveiligingssystemen die vóór 1 september 2006, overeenkomstig de vigerende normen ten tijde van hun ingebruikneming, zijn goedgekeurd en die niet beantwoorden aan de op 01 september 2006 van toepassing zijnde normen, mogen worden gebruikt tot 9 mei 2008.


Bijlage

Voorgeschreven model van een doktersattest tot het bekomen van de vrijstelling van het verplicht gebruik van de veiligheidsgordel en het kinderbeveiligingssysteem.

[ Download formulier in Word ]

{module 327}