Let op: de inhoud van de berichten weerspiegelt de situatie zoals ze op het ogenblik van publicatie van toepassing was. Het is dus mogelijk dat sommige berichten ondertussen verouderd zijn.

Patiënten met defibrillator

op .

Vanaf 8 maart 2011 zijn de medische voorwaarden voor patiënten met ingeplante automatische defibrillator versoepeld. In principe zijn patiënten met zo'n ingeplante automatische defibrillator niet rijgeschikt.
Vroeger kon een cardioloog deze patiënten toch rijgeschikt verklaren na een periode van minstens zes maanden na de inplanting. Dit gebeurde op basis van een verslag afgegeven door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat de ingreep uitvoerde. Tijdens deze zes maanden mocht er geen stroomstoot geweest zijn die het hartritme kon aantasten. 
De nieuwe voorwaarden zijn iets versoepeld.

De kandidaat die geen hartstilstand heeft gehad en bij wie om louter preventieve redenen een defibrillator ingeplant werd, kan rijgeschikt bevonden worden één maand na de datum van inplanting. De kandidaat kan rijgeschikt worden bevonden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat.

De kandidaat die een hartstilstand heeft gehad en bij wie een defibrillator ingeplant werd, kan na een periode van minstens drie maanden, te rekenen vanaf de datum van inplanting, rijgeschikt worden bevonden.

Als alleen de defibrillator vervangen wordt, kan de kandidaat onmiddellijk rijgeschikt worden verklaard. Bij het vervangen van de elektrode kan de kandidaat rijgeschikt worden verklaard één maand na de inplanting ervan. De cardioloog levert het rijgeschiktheidsattest af.

De kandidaat van wie de defibrillator een stroomstoot heeft gegeven die een invloed heeft gehad op het hartritme, is in principe niet rijgeschikt.

Nu kan de kandidaat na een periode van minstens drie maanden, te rekenen vanaf de datum van de laatste stroomstoot, rijgeschikt worden bevonden door de cardioloog.

Geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest

Deze bedraagt maximaal drie jaar (vroeger twee jaar).

De voorwaarden voor het afleveren ervan en voor het verlengen van de geldigheidsduur zijn :

a) onder regelmatig geneeskundig toezicht staan;

b) voldoende inzicht hebben in de aandoening;

c) blijk geven van een strikte therapietrouw;

d) en het voorgeschreven behandelingsplan nauwgezet volgen.

Bron: KB van 2 maart 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs (BS 08/03/2011)
Gewijzigde bijlage 6 (punt II.6.3.1
Deze website wenst cookies te gebruiken om uw surfervaring te verbeteren. Door op “Ok” te klikken, aanvaardt u het gebruik van deze cookies voor deze doeleinden.