Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 januari 2018 betreffende het instellen van een lage-emissiezone

B.S. 02.02.2018

HOOFDSTUK 1. — Definities

Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1° Wetboek: de ordonnantie van 2 mei 2013 houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing;

2° Brussel Fiscaliteit: Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Fiscaliteit;

3° CIBG: Het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest;

4° Motorvoertuigen van categorie M: motorvoertuigen uit categorie M, bedoeld in artikel 1, § 1 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968;

5° Motorvoertuigen van categorie N1: motorvoertuigen uit categorie N1 bedoeld in artikel 1, § 1 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968;

6° Voertuigen voor speciale doeleinden: voertuigen voor speciale doeleinden bedoeld in artikel 1, § 9 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968;

7° Euronorm I, II, III, IV, V, VI of EEV: de norm die van toepassing is op de voertuigen uit de categorieën M3 die voldoen aan de emissienormen, bedoeld in de Europese richtlijnen 88/77/EEG en 2005//55/EG en in de verordening (EG) nr. 595/2009 8° Euronorm 1, 2, 3, 4, 5, 6, 6d-TEMP of 6d: de norm die van toepassing is op de personenwagens en lichte dienstvoertuigen die voldoen aan de corresponderende emissienormen, bedoeld in richtlijn 70/220/EEG en in de verordeningen (EG) nrs. 715/2007 en 136/2014;

9° Aardgas: vloeibaar of samengeperst aardgas;

10° Koninklijk besluit van 15 maart 1968: het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;

11° Ring: openbare weg ingedeeld in de categorie van de autosnelwegen en ″Ring om Brussel″ genoemd in het koninklijk besluit van 15 mei 1981 waarbij de autosnelweg ″Ring om Brussel″ aan het stelsel van de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen wordt onderworpen;

12° (Opgeheven)

13° LEZ-dagpas: een betalende toelating die een specifiek motorvoertuig de toegang verschaft tot de lage-emissiezone en die enkel geldig is op de kalenderdag waarvoor de LEZ-dagpas werd aangekocht tot en met 6.00 uur van de kalenderdag nadien;

14° ANPR camera: camera die automatisch nummerplaten herkent;

15° Elektrisch voertuig: voertuig dat uitsluitend aangedreven wordt door een elektrische motor;

16° Voertuig dat werkt op waterstof: voertuig dat waterstof gebruikt als enige energiebron;

17° Brussel Mobiliteit: Administratie van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel belast met uitrustingen, infrastructuur en vervoer;

18° Brussel Preventie en Veiligheid: Brussel Preventie en Veiligheid zoals opgericht door de ordonnantie van 28 mei 2015 tot oprichting van een instelling van openbaar nut waarin het beheer van het preventie- en veiligheidsbeleid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is samengebracht.

Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit worden met voertuigen die werken op een benzinemotor gelijkgesteld:

1° De voertuigen die werken op LPG;

2° De voertuigen die werken op bio-ethanol.

Art. 3. De hybride voertuigen van categorieën M en N1 worden voor de toepassing van dit besluit op dezelfde wijze behandeld als de andere motorvoertuigen uit de categorieën M en N1.

HOOFDSTUK 2. — Bepaling van en toegang tot de lage-emissiezones

Art. 4. § 1. In uitvoering van artikel 3.2.16 van het Wetboek wordt op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een lage-emissiezone in de zin van onderhavig besluit gecreëerd die het grondgebied van het administratief arrondissement ″Brussel-Hoofdstad″ omvat, afgezien van de weggedeelten die aangeduid zijn als ″de Ring″ in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

§ 2. De toegangswegen tot bepaalde overstapparkings, alsook deze die de bereikbaarheid verzekeren tot de Ring voor het vekeer dat van buiten de zone komt, zoals opgenomen in bijlage 2, zijn uitgesloten van de lage-emissiezone.

Het woord “vekeer” dient gelezen te worden als “verkeer”.

§ 3. Zonder afbreuk te doen aan artikel 5, is deze lage-emissiezone overeenkomstig artikel 3.2.16, §1 van het Wetboek, permanent en van toepassing op elk voertuig, ingeschreven in België of in het buitenland, dat de openbare weg in de voornoemde zone gebruikt.

Art. 5. § 1. De toegang tot de lage-emissiezone is toegelaten voor:

1° de andere motorvoertuigen dan die welke beantwoorden aan de categorieën M en N1, evenals de voertuigen van de categorie N1 met carrosseriecode BC bedoeld in artikel 1, 2. van het Koninklijk Besluit van 15 maart 1968;

2° de elektrische voertuigen en de voertuigen die werken op waterstof;

3° de motorvoertuigen uit de categorieën M en N1 die voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) vanaf 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018, een van de volgende types motorvoertuigen:

1) de voertuigen waarvan de dieselmotor ten minste voldoet aan de euronorm II of 2;

2) de voertuigen met een benzine- of aardgasmotor;

b) vanaf 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019, een van de volgende types motorvoertuigen:

1) de voertuigen waarvan de dieselmotor ten minste voldoet aan de euronorm III of 3;

2) de voertuigen waarvan de benzine- of aardgasmotor ten minste voldoet aan de euronorm II of 2;

c) vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 december 2021, een van de volgende types motorvoertuigen:

1) de voertuigen waarvan de dieselmotor ten minste voldoet aan de euronorm IV of 4;

2) de voertuigen waarvan de benzine- of aardgasmotor ten minste voldoet aan de euronorm II of 2;

d) vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2024, een van de volgende types motorvoertuigen:

1) de voertuigen waarvan de dieselmotor ten minste voldoet aan de euronorm V of 5, 5a of 5b;

2) de voertuigen waarvan de benzine- of aardgasmotor ten minste voldoet aan de euronorm II of 2;

e) vanaf 1 januari 2025, een van de volgende types motorvoertuigen:

1) de voertuigen waarvan de dieselmotor ten minste voldoet aan de euronorm VI of 6;

2) de voertuigen waarvan de benzine- of aardgasmotor ten minste voldoet aan de euronorm III of 3.

4° de volgende motorvoertuigen:

a) de voertuigen voor speciale doeleinden in de betekenis van de Wegcode die voldoen aan de definitie van kampeerwagen;

b) de prioritaire voertuigen, bedoeld in artikel 37 van de Wegcode;

c) de voertuigen van de krijgsmacht;

d) de voertuigen die specifiek aangepast zijn voor het vervoeren van personen met een handicap, waarvoor door de bevoegde openbare instantie een goedkeuring van aanpassing van een voertuig is afgeleverd of een gelijkaardig bewijs van aanpassing van het voertuig ingeval van afwezigheid van deze goedkeuring en waarvan de nummerplaathouder of een persoon die op het adres van de nummerplaathouder gedomicilieerd is, houder is van de speciale kaart bedoeld in artikel 27.4.3. van de Wegcode of van een gelijkgesteld document zoals bedoeld in artikel 27.4.1 van de Wegcode. De toegang kan enkel gevraagd worden voor de voertuigen die ingeschreven zijn vóór de invoering van de toegangsvoorwaarden, bedoeld in punt 3°, in naam van de betrokken nummerplaathouder;

e) de voertuigen die uitgerust zijn met een geïntegreerd systeem dat in of aan het voertuig gemonteerd is en dat bestemd is om te worden gebruikt om de rolstoel samen met de gebruiker in het voertuig te plaatsen en die niet zijn vermeld in punt d);

f) de voertuigen die niet in België ingeschreven zijn die sedert meer dan dertig jaar in gebruik zijn genomen;

g) de voertuigen ingeschreven in België onder één van de kentekenplaten bedoeld in artikel 4, §2 van het ministerieel besluit van 23 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, indien ze meer dan dertig jaar in gebruik zijn genomen;

h) de voertuigen die sedert meer dan dertig jaar in gebruik zijn genomen en die gebruikt worden voor toeristische vrijetijdsdoeleinden of andere commerciële doeleinden waarvoor het “oldtimer voertuig” deel uitmaakt van het “businessconcept”;

i) de voertuigen die in noodsituaties of bij reddingswerken worden gebruikt op verzoek van de brandweer, de politie, het leger, de civiele bescherming of de wegenautoriteiten;

j) de voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor het onderhoud en de controle van infrastructuren en installaties van algemeen nut;

k) de voertuigen die speciaal aangepast zijn voor markten, beurzen, optochten en ambulante handel.

§ 2. Voor de punten a, d, e, f, h, j en k van 4° van de de eerste paragraaf moet de afwijking het voorwerp uitmaken van een aanvraag aan en het voorafgaande akkoord van Brussel Fiscaliteit, zoals gedefinieerd in artikel 8.

§ 3. Zonder afbreuk te doen aan de vrijstelling bedoeld in paragraaf 4 wordt de euronorm van een voertuig, zoals bedoeld in onderhavig artikel, wanneer deze niet gekend is, bepaald op basis van de datum van eerste inschrijving van het voertuig.

De emissienorm van een nationaal voertuig is niet gekend wanneer dit gegeven niet in de databank van de openbare dienst belast met de inschrijving van de voertuigen is opgenomen. De emissienorm van een buitenlands voertuig is niet gekend wanneer dit gegeven niet op het inschrijvingsbewijs staat.

De data die in bijlage 1 zijn bepaald, worden gebruikt om de norm te bepalen wanneer deze niet gekend is.

§ 4. Indien op basis van het Europese gelijkvormigheidsattest of een ander document aanvaard door een overheidsinstantie, een andere emissienorm, een andere categorie of een ander brandstoftype van het voertuig dan vermeld in de DIV en/of LEZ-databank kan worden aangetoond, kan de houder van het voertuig de emissienorm, de categorie of het brandstoftype in de LEZ-databank laten aanpassen met behulp van deze documenten door een aanvraag tot afwijking in te dienen bij Brussel Fiscaliteit, zoals bepaald in artikel 8.

§ 5. Indien, in geval een verkeersgeleiding of wegomleiding door politie of wegbeheerder wordt opgelegd, het doorgaand verkeer van buiten de lage-emissiezone verplicht wordt omgeleid via de lageemissiezone en dat deze situatie ervoor zorgt dat een voertuig, dat niet beantwoordt aan de toelatingscriteria, de lage-emissiezone binnen rijdt, zal er voor dit voertuig geen administratieve boete worden opgelegd.

Art. 6. § 1. Alle motorvoertuigen komen in aanmerking voor een LEZ-dagpas.

§ 2. De LEZ-dagpas kan maximaal 8 keer per kalenderjaar aangekocht en gebruikt worden door de betrokken nummerplaat. Een kalenderjaar loopt steeds van 1 januari en eindigt op 31 december.

Bij de aanvraag van een LEZ-dagpas moeten minstens de onderstaande gegevens worden vermeld:

1° de nummerplaat van het voertuig waarvoor de LEZ-dagpas wordt aangeschaft;

2° het type van het voertuig waarvoor de LEZ-dagpas wordt aangeschaft;

3° de euronorm van het voertuig waarvoor de LEZ-dagpas wordt aangeschaft;

4° het merk van het voertuig waarvoor de LEZ-dagpas wordt aangeschaft;

5° land van inschrijving van het voertuig waarvoor de LEZ-dagpas wordt aangeschaft;

6° datum van eerste inschrijving van het voertuig waarvoor de LEZ-dagpas wordt aangeschaft;

7° de brandstof van het voertuig waarvoor de LEZ-dagpas wordt aangeschaft;

8° identiteit van de aanvrager.

§ 3. De LEZ-dagpas is geldig na betaling van het retributietarief bedoeld in § 4 van dit artikel en geeft aan het motorvoertuig waarvoor de LEZ-dagpas werd aangeschaft het recht op toegang tot de lage-emissiezone op de kalenderdag waarvoor de LEZ-dagpas werd aangekocht tot en met 6.00 uur van de kalenderdag nadien.

Indien de dag waarvoor de LEZ-dagpas werd aangeschaft samenvalt met de kalenderdag waarop de LEZ-dagpas werd aangekocht, geeft de LEZ-dagpas het motorvoertuig waarvoor de LEZ-dagpas werd aangeschaft slechts toegang tot de lage-emissiezone te rekenen vanaf het moment dat de LEZ-dagpas uitgereikt werd.

De LEZ-dagpas wordt geacht betaald te zijn nadat de gebruikte betalingsinstantie bevestigt dat het retributietarief zoals bepaald in § 4 van dit artikel zal uitgevoerd worden.

§ 4. Het retributietarief wordt vastgesteld op 35 EUR. De LEZ-dagpas kan uitsluitend online worden aangekocht. De betaling van het retributietarief moet via elektronische betaalwijze.

§ 5. De aankoop van een LEZ-dagpas is onvoorwaardelijk en niet-restitueerbaar. In geen enkel geval kan er na de aankoop van een LEZ-dagpas terugbetaling worden gevraagd. De datum van de geldigheid van de LEZ-dagpas kan niet meer worden gewijzigd.

HOOFDSTUK 3. — Afwijkingen en registraties

Afdeling 1. — Aanduiding van de personeelsleden

Art. 7. De in artikel 3.2.16 § 2, 3e lid van het Wetboek bedoelde contractuele of statutaire ambtenaar zijn de ambtenaren die deel uitmaken van de directie inkohiering van Brussel Fiscaliteit.

Deze personen moeten de in artikel 3.2.19 van het Wetboek bedoelde eed hebben afgelegd in de handen van de Directeur-generaal van Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Fiscaliteit.

Afdeling 2. — Afwijkingen

Art. 8. Elke aanvraag tot afwijking zoals bedoeld in artikel 5, § 2 dient vooraf aan de hand van een elektronisch formulier te worden aangevraagd bij Brussel Fiscaliteit. In geval van een technisch probleem of bij iedere verhindering inzake de elektronische communicatie, zal de aanvraag in kwestie gebeuren op papier.

De bewijsstukken van de afwijkingsaanvraag worden bij het formulier gevoegd.

Brussel Fiscaliteit spreekt zich uit over de afwijkingsaanvraag binnen een termijn van 62 dagen, te rekenen vanaf de zevende dag volgend op de ontvangst van het verzoek door de voormelde ambtenaar.

Het uitblijven van een beslissing betekend binnen deze termijn wordt gelijkgesteld met een weigering van de afwijking.

Zolang geen definitieve beslissing werd genomen door Brussel Fiscaliteit omtrent de aanvraag tot afwijking, kan een boete zoals bedoeld in artikel 3.4.1/1 van het Wetboek worden opgelopen.

In geval van weigering, eventueel stilzwijgend, kan de aanvrager schriftelijk beroep instellen bij de Directeur-generaal van Brussel Fiscaliteit zoals bepaald in artikel 3.2.23 § 1, 2de alinea van het Wetboek.

Dit beroep moet ingesteld worden binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de zevende dag volgend op de beslissing van weigering tot afwijking bedoeld in artikel 3.2.16, § 2.

De afwijking is geldig voor zover de aanvrager blijft voldoen aan de voorwaarden, en dit gedurende drie jaar volgend op de datum van toekenning.

De aanvraag om de afwijking te verlengen, moet minstens drie maanden vóór het verstrijken van de afwijking ingediend worden volgens dezelfde procedure.

De aanvrager brengt Brussel Fiscaliteit onverwijld op de hoogte indien hij niet langer voldoet aan de voorwaarden van de afwijking.

In geval van fraude met betrekking tot de afwijking legt een ambtenaar aangesteld krachtens artikel 3.2.19, § 1 van het Wetboek een boete op volgens de bepalingen van artikel 3.2.21 van het Wetboek.

Afdeling 3. — Registratie

Art. 9. In uitvoering van artikel 3.2.16 van het Wetboek is de registratie bij Brussel Fiscaliteit verplicht voor voertuigen met een buitenlandse nummerplaat met uitzondering van de voertuigen bedoeld in artikel 5, § 1, 1°.

Deze registratie gebeurt op basis van de volgende documenten:

1° Het inschrijvingsbewijs;

2° Het Europese gelijkvormigheidsattest;

3° Elk ander document dat informatie bevat om de juistheid van de meegedeelde gegevens te controleren.

Elke registratie dient vooraf aan de hand van een elektronisch formulier te worden aangevraagd bij Brussel Fiscaliteit. In geval van een technisch probleem of bij iedere verhindering inzake de elektronische communicatie, zal de aanvraag in kwestie gebeuren op papier.

De hiervoor vermelde documenten moeten bij het registratieformulier worden gevoegd.

De registratie is geldig voor zover de nummerplaat van het voertuig niet wijzigt en dit gedurende drie jaar.

De registratie van de in het buitenland ingeschreven voertuigen is niet verplicht voor de nummerplaten ingeschreven in landen waarvan Brussel Fiscaliteit beschikt over de informatie die noodzakelijk is om de toegangscriteria te controleren, met name in het kader van internationale akkoorden. Deze landen worden aangeduid in het informaticaportaal van de aanvragen tot registratie.

Indien de in het kader van de registratie verstrekte informatie onjuist/onvolledig is legt een ambtenaar aangesteld krachtens artikel 3.2.19, § 1 van het Wetboek een boete op volgens de bepalingen van artikel 3.2.21 van het Wetboek.

HOOFDSTUK 4. — Controle

Afdeling 1. — Aangeduiding van de personeelsleden

Het woord “Aangeduiding” dient gelezen te worden als “Aanduiding”.

Art. 10. De in artikel 3.2.20 van het Wetboek bedoelde contractuele of statutaire personeelsleden zijn de personeelsleden die deel uitmaken van de directie inkohiering van Brussel Fiscaliteit die de eed hebben afgelegd zoals bedoeld in artikel 3.2.19 van het Wetboek.

Afdeling 2. — Eedaflegging

Art. 11. De personeelsleden zoals aangeduid in afdeling 1 moeten de in artikel 3.2.19 van het Wetboek bedoelde eed hebben afgelegd in de handen van de Directeur-generaal van Brussel Fiscaliteit.

Afdeling 3. — Legitimatie

Art. 12. De Directeur-generaal van Brussel Fiscaliteit geeft aan de in artikel 10 bedoelde personen van hun respectieve bestuur een legitimatiekaart af die voldoet aan de vereisten van dit artikel.

De legitimatiekaart bevat op de voorzijde de volgende vermeldingen:

1° de kop bovenaan: het logo van Brussel Fiscaliteit;

2° in het middengedeelte van de kaart een rechthoek met:

- geheel links een pasfoto van de houder van de legitimatiekaart;

- in het midden bovenaan de naam en de voornaam van de houder van de legitimatiekaart;

- in het midden het volgnummer, gevolgd door de vermelding ″Ambtenaar, zoals bedoeld in artikel 3.2.19 § 2 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing”;

- in het midden onderaan het nummer van de identiteitskaart van de houder van de legitimatiekaart;

3° in het midden onderaan: ″De Directeur-generaal″ en diens handtekening;

4° onderaan links: de geldigheidsduur van de kaart;

5° op de achterzijde van de kaart, de vermelding: ″De houder van deze legitimatiekaart is gemachtigd om op te treden als agent van gerechtelijke politie op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In het kader van de uitoefening van zijn opdrachten, kan hij bevelen geven aan bestuurders en het verkeer regelen, inlichtingen inwinnen en controle uitoefenen, en de bijstand vorderen van de federale of de lokale politiediensten.″.

De vermeldingen bedoeld in dit artikel, eerste lid, 1°, 3°, 4° en 5° worden gesteld in het Nederlands en het Frans, met voorrang voor de taalrol van de houder van de legitimatiekaart.

HOOFDSTUK 5. — Invorderingen

Afdeling 1. — Invorderingen en dwangbevelen

Art. 13. De rekenplichtige van de ontvangsten belast met fiscale zaken is belast met de invordering van de boeten zoals bedoeld in artikel 3.2.22, § 2, van het Wetboek. Hij is dus bevoegd voor het uitvaardigen, viseren en uitvoerbaar verklaren van een dwangschrift, overgaan tot de betekening van dwangbevel alsook eventueel overgaan tot het leggen van een uitvoerend roerend beslag op het voertuig of iedere andere uitvoeringsmaatregel zoals bedoeld in artikel 3.2.22, § 2 van het Wetboek, met inbegrip van het roerend bewarend beslag. Deze rekenplichtige is de statutaire of contractuele ambtenaar door de regering belast met de invordering van de administratieve boete, in de zin van artikel 3.4.1/1, § 1 van het Wetboek.

In geval van afwezigheid van de rekenplichtige van de ontvangsten belast met fiscale zaken, worden de bevoegdheden bedoeld in het vorige lid uitgeoefend door de plaatsvervangend rekenplichtige van ontvangsten belast met fiscale zaken.

Afdeling 2. — Bezwaar

Art. 14. De in artikel 3.2.23 § 1, van het Wetboek bedoelde contractuele of statutaire ambtenaar is de Directeur-generaal van Brussel Fiscaliteit. In geval de betrekking van Directeur-Generaal niet wordt bekleed, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de Directeur Diensthoofd van Brussel Fiscaliteit die de grootste dienstanciënniteit heeft binnen dit bestuur.

In geval van afwezigheid van de Directeur-Generaal wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de Directeur Diensthoofd van Brussel Fiscaliteit die de grootste dienstanciënniteit heeft binnen dit bestuur.

HOOFDSTUK 6. — Privéleven en persoonsgegevens

Afdeling 1. — Betrokken partijen

Art. 15. De persoonsgegevens die worden verzameld in het kader van artikel 3.2.17 van het Wetboek worden beheerd door Brussel Fiscaliteit.

Art. 16. Het CIBG is aangesteld als gewestelijke dienstenintegrator voor de tenuitvoerlegging van de LEZ.

De databank waarin de persoonsgegevens worden verzameld is gehost op de servers van het CIBG.

Afdeling 2. — Gebruikte gegevens

Art. 17. Onderstaande databanken en gegevens zullen worden gebruikt in het kader van de tenuitvoerlegging van de LEZ :

1° het repertorium van de voertuigen zoals vermeld in artikel 6 t.e.m. 9 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen; of een vergelijkbare databank in het buitenland;

2° het rijksregister zoals ingesteld door de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen; of een vergelijkbare databank in het buitenland;

3° kruispuntbank van de sociale zekerheid zoals opgericht door de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid; of een vergelijkbare databank in het buitenland;

4° de kruispuntbank van ondernemingen zoals opgericht door de bepalingen in boek III, titel 2 van het Wetboek van Economisch Recht van 28 februari 2013; of een vergelijkbare databank in het buitenland;

5° de gegevens die worden bekomen ten gevolge van de registratie zoals bedoeld in artikel 3.2.16 §2 en §3 van het Wetboek;

6° de gegevens die worden bekomen ten gevolge van de behandeling van het verzoek tot afwijking zoals bedoeld in artikel 3.2.16 van het Wetboek;

7° de gegevens die worden bekomen door het gebruik van de ANPR camera’s of door andere controletechnieken;

8° de gegevens die worden bekomen door het aanvragen van een dagpass zoals bepaald in artikel 6.

Afdeling 3. — Gebruik van de gegevens

Art. 18. De gegevens zoals bedoeld in de nummers 1°, 2°, 4°, 5°, 7° en 8° van artikel 17 van dit besluit worden gedurende het gehele proces van de controle van de LEZ gebruikt ter identificatie van de voertuigen die zich in deze zone bevinden en hun bestuurders en/of eigenaars.

De gegevens worden gebruikt in het kader van de invordering van eventueel verschuldigde boetes ten gevolge van de overtreding van de LEZ-reglementering.

De gegevens worden gebruikt om te beoordelen of een voertuig toegang heeft tot de LEZ;

De gegevens zoals bedoeld in de nummers 3° en 6° worden gebruikt in het kader van de toepassing van artikel 3.2.16 en 3.2.23 van het Wetboek om:

  • Een verzoek tot afwijking te beoordelen en te motiveren;
  • Controle uit te oefenen over een toegekende afwijking.

De gegevens worden gebruikt om te beoordelen of voldaan is aan de voorwaarden voor de toepassing van de hoofdelijkheid zoals voorzien in artikel 3.2.18 van het Wetboek.

De andere instellingen die deze gegevens kunnen ontvangen met oog op de latere verwerking voor historische, statistische en wetenschappelijke doeleinden zijn Brussel Mobiliteit, het CIBG en Brussel Preventie en Veiligheid.

Het hierboven omschreven gebruik van de gegevens wordt geïllustreerd in het schema in bijlage 3 bij dit besluit. Het in deze bijlage vervatte schema is niet exhaustief en moet derhalve dus beschouwd worden als loutere illustratie van de reële werking van de controlesystemen.

HOOFDSTUK 6. — Inwerkingtreding

Afdeling 1. — Gedoogperiode

Art. 19. Er worden gedoogperiodes ingevoerd, zoals bedoeld in artikel 3.4.1/1 § 2, van het Wetboek.

Deze gedoogperiodes worden bepaald als de ononderbroken periode vanaf de overtreding waarvoor een boete werd opgelegd.

Deze periode bedraagt drie maanden.

Afdeling 2. — Overgangsperiode

Art. 20. Voor de voertuigen die zijn uitgesloten, in uitvoering van artikel 5 van dit besluit, vanaf het jaar 2018 in de lage-emissiezone, wordt de overgangsperiode, zoals voorzien in artikel 3.4.1/1 § 3 van het Wetboek, bepaald op 9 maanden te tellen vanaf 1 januari 2018.

Voor de voertuigen die door de verstrenging van de toegangscriteria van de lage-emissiezone niet meer toegelaten zijn vanaf 2019 en 2020 is, in uitvoering van artikel 3.4.1/1 § 3 van het Wetboek, een overgangsperiode van 3 maanden voorzien te tellen vanaf de eerste dag van ieder nieuwe fase.

Voor de jaren 2022 en volgende wordt er geen overgangsfase toegepast.

Tijdens deze ononderbroken overgangsperiodes wordt er geen admistratieve boete opgelegd aan de desbetreffende voertuigen.

Het woord “admistratieve” dient gelezen te worden als “administratieve”.

Afdeling 3. — Dagpas

Art. 21. De minister die belast is met financiën bepaalt de datum van inwerkingtreding van artikel 6 van dit besluit.

Afdeling 4. — Inwerkingtreding

Art. 22. Het besluit treedt in werking op de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad.

HOOFDSTUK 7. — Slotbepalingen

Art. 23. De minister bevoegd voor Leefmilieu, de minister bevoegd voor Financiën en de minister bevoegd voor Mobiliteit worden, elk voor wat zijn specifieke bevoegdheden betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage 1

Bijlage 2