Besluit van de Vlaamse Regering van 8 februari 2019 houdende de uitvoering van artikel 6, 7, 8 en 12 van het decreet van 18 mei 2018 betreffende het niet-dringend liggend ziekenvervoer

B.S. 27.03.2019

HOOFDSTUK 1. — Definities

Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:

1° administrateur-generaal: de administrateur-generaal van het agentschap;

2° agentschap: het agentschap Zorg en Gezondheid, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap ″Zorg en Gezondheid″;

3° decreet van 18 mei 2018: het decreet van 18 mei 2018 betreffende het niet-dringend liggend ziekenvervoer;

4° dienst: een dienst voor niet-dringend liggend ziekenvervoer als vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 18 mei 2018;

5° gemengde werkgroep opleiding: de werkgroep, vermeld in artikel 5, § 2, van het decreet van 18 mei 2018;

6° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid;

7° onafhankelijke commissie: de onafhankelijke commissie, vermeld in artikel 5, § 1, van het decreet van 18 mei 2018;

HOOFDSTUK 2. — Bijkomende vergunningsvoorwaarden

Afdeling 1. — Algemene bepaling

Art. 2. Om te worden vergund en vergund te blijven, voldoet de dienst naast de vergunningsvoorwaarden vermeld in artikel 3 van het decreet van 18 mei 2018 ook aan de bijkomende vergunningsvoorwaarden in dit hoofdstuk.

Afdeling 2. — De dienst niet-dringend liggend ziekenvervoer

Art. 3. Een dienst beschikt minimaal over één vergunde ziekenwagen niet-dringend liggend ziekenvervoer.

Art. 4. De dienst stelt een medisch verantwoordelijke aan. De medisch verantwoordelijke is een arts die de volgende taken heeft:

1° de procedures voor medische handelingen en hygiënische maatregelen voor het niet-dringend liggend ziekenvervoer opstellen en valideren;

2° toezicht houden op de inhoud en frequentie van de permanente vorming van de ambulanciers niet-dringend patiëntenvervoer;

3° de ontsmettingsmiddelen, vermeld in artikel 19, 27°, en de decontaminatiemiddelen, vermeld in artikel 19, 28°, waarmee de dienst werkt, bepalen;

4° interne audits organiseren om na te gaan of de opgestelde procedures worden nageleefd en, in voorkomend geval, de vastgestelde problemen oplossen.

Een arts kan voor verschillende diensten de functie van medisch verantwoordelijke opnemen.

Art. 5. De dienst stelt een algemeen verantwoordelijke aan die de volgende opdrachten heeft:

1° erop toezien dat alle activiteiten van de dienst beantwoorden aan de vergunningsvoorwaarden van dit besluit;

2° het register bijhouden met alle verbintenissen tussen de dienst en de ambulanciers niet-dringend patiëntenvervoer die aan de dienst verbonden zijn;

3° het register bijhouden met de medische attesten van rijgeschiktheid en alle opleidingen en bijscholingen van de ambulanciers niet-dringend patiëntenvervoer die aan de dienst verbonden zijn;

4° het register met alle standplaatsen bijhouden;

5° het register bijhouden met alle voertuigen met daarin per voertuig een kopie van het inschrijvingsbewijs, het gelijkvormigheidsattest, het geldende verzekeringsbewijs, het geldige keuringsbewijs en een document waaruit blijkt op welke wijze de aansprakelijkheid ten aanzien van de patiënt verzekerd is;

6° het register bijhouden met, per rit, de identiteitsgegevens van de ambulanciers niet-dringend patiëntenvervoer, alsook van de patiënt die is vervoerd;

7° het klachtenregister bijhouden;

8° toezicht houden op de kwaliteit van het ziekenvervoer, inclusief de klachtbehandeling;

9° de conformiteit van de ziekenwagens, de uitrusting en de opleiding en bijscholing van de ambulanciers niet-dringend patiëntenvervoer met de vergunningsvoorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk, controleren.

Art. 6. De personeelsleden van de dienst zijn deskundig, voorkomend, beleefd en behulpzaam tegen de patiënt.

De interventiekledij van de ambulanciers niet-dringend patiëntenvervoer mag alleen bestaan uit de volgende kleuren: geel, conform EN 20471, en enamel blauw, pantone 18-4733 TCX. De interventiekledij kan de volgende onderdelen bevatten:

1° een jas;

2° een broek;

3° een T-shirt of polo;

4° een kazuifel.

De ambulancier niet-dringend patiëntenvervoer mag zelf bepalen welke combinatie hij draagt, zolang de kledij voldoet aan EN ISO 20471:2013 zichtbaarheid klasse 3.

In het derde lid wordt verstaan onder zichtbaarheid klasse 3: de mate van zichtbaarheid, vermeld in de Europese norm 20471 en ISO 20471:2013 betreffende hoge zichtbaarheidskleding.

Op de kledij van de ambulancier niet-dringend patiëntenvervoer bevindt zich een zilvergrijze “Star of Life” met een grootte van 75 mm op 75 mm op de rechterborst en 150 mm op 150 mm centraal op de rugzijde.

De ambulanciers niet-dringend patiëntenvervoer:

1° kunnen een gesprek in het Nederlands voeren met een Nederlandstalige patiënt;

2° begeleiden de patiënt van de verblijfplaats naar de afgesproken plaats en terug als dat zo is afgesproken;

3° verrichten de noodzakelijke administratie binnen de voorwaarden van hun vervoersopdracht.

Art. 7. Er mag altijd een naaste of mantelzorger van de patiënt meerijden als de patiënt wordt getransporteerd. Dat leidt niet tot bijkomende kosten als die persoon geen extra zorgaandacht van de ambulanciers niet-dringend patiëntenvervoer vraagt.

In het eerste lid wordt verstaan onder:

1° mantelzorger: een mantelzorger als vermeld in artikel 2, 7°, van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming;

2° naaste: de echtgenoot van de niet-overleden patiënt, de persoon die met hem samenleeft en met hem een duurzame affectieve relatie heeft, een bloedverwant in opgaande of neerdalende lijn, een broer of zus, alsook een andere persoon die hem bijstaat.

Art. 8. De dienst is alle dagen, behalve op zaterdag, zon- en feestdagen, minstens van 6 tot 20 uur bereikbaar voor aanvragen van patiëntenvervoer en om patiëntenvervoer te verrichten.

Structurele afwijkingen op de bepaling in het eerste lid kunnen alleen als dit door de dienst tijdig en breed bekend wordt gemaakt.

De dienst treft alle nodige maatregelen om in 80% van de opdrachten voor een heenrit de patiënt maximaal 30 minuten te laten wachten en voor een terugrit maximaal 45 minuten ten opzichte van het tijdstip dat bij de aanvraag is afgesproken. Als dat niet mogelijk is, communiceert de dienst dat op proactieve wijze aan de patiënt of de aanvrager.

In elk geval communiceert de dienst bij elke aanvraag tot vervoer aan de aanvrager de vermoedelijke aankomsttijd bij de patiënt.

Art. 9. § 1. Aan iedere patiënt of aanvrager wordt, bij de aanvraag van het ziekenvervoer, het tarief dat bij de dienst gangbaar is, meegedeeld, met inbegrip van de tarieven die worden gehanteerd voor extra dienstverlening en het maximumtarief. Daarbij worden altijd de forfaitaire kosten met het aantal inbegrepen kilometers, de kosten voor bijkomende kilometers, de kosten voor extra dienstverlening en de berekeningswijze van de kilometers vermeld.

Bij de aanvraag van het ziekenvervoer wordt, op basis van eenvoudige en voorspelbare variabelen, een raming gemaakt van de totale te verwachten kosten voor de patiënt. Die raming bevat de forfaitaire kosten, de berekende te factureren kilometers op basis van de vermoedelijk af te leggen kilometers en eventuele supplementen. Voor de berekening van de tegemoetkoming van de verzekering van de patiënt verwijst men door naar de verzekeringsorganisatie van de patiënt.

§ 2. De patiënt ontvangt van de dienst één duidelijk controleerbare factuur. De factuur bevat minstens de volgende gegevens:

1° de identificatie van de dienst met vermelding van de rechtspersoon of de maatschappelijke zetel en het rekeningnummer;

2° het factuurnummer en de -datum;

3° de datum waarop het vervoer heeft plaatsgevonden;

4° de identificatie van de patiënt;

5° het tarief per kilometer;

6° het aantal afgelegde en gefactureerde kilometers;

7° het bedrag dat de patiënt effectief moet betalen en dat, als dat van toepassing is, opgesplitst is in:

a) de vervoerskosten;

b) de kosten voor farmaceutische noodzakelijke verstrekkingen;

8° de betalingsvoorwaarden met onder meer een maximumpercentage van schadebeding of interesten in geval van niet-betaling binnen de vooropgestelde termijn.

Betaling in cash wordt beperkt en is alleen mogelijk als de ontvangende ambulancier niet-dringend patiëntenvervoer het bedrag onmiddellijk int bij het vervoer. Hij overhandigt dan een betalingsbewijs aan de patiënt waarop hij het betaalde bedrag vermeldt. Op de factuur wordt het cash ontvangen bedrag achteraf ook duidelijk vermeld.

Art. 10. De dienst beschikt over een procedure voor hygiënische maatregelen. Die procedure regelt minstens:

1° de reiniging en decontaminatie van de ziekenwagen en het materiaal dat opnieuw wordt gebruikt;

2° het vervoer van besmette patiënten;

3° de afvalbehandeling;

4° de hygiëne van de ambulancier niet-dringend patiëntenvervoer en zijn kledij.

In de ziekenwagen geldt voor personeel en patiënten altijd een algemeen rookverbod en een algemeen alcohol- en drugsverbod.

Art. 11. De dienst beschikt over een procedure voor de identificatie en de veiligheid van de patiënt tijdens het ziekenvervoer.

Art. 12. De dienst vermeldt bij individuele communicatie met de patiënt tot wie hij zich kan richten als hij klachten heeft.

De dienst beschikt over een procedure voor klachtenbehandeling. Met het oog op klachtenbehandeling kan het uur en de plaats van vertrek en aankomst voor iedere rit worden geobjectiveerd. De klachtenprocedure is onderdeel van het kwaliteitssysteem van de dienst en bestaat minstens uit:

1° de registratie van de klacht;

2° de registratie van het type van de klacht;

3° het onderzoek naar de gegrondheid van de klacht;

4° de correctieve maatregelen die genomen worden naar aanleiding van de klacht;

5° de communicatie over de klacht met de betrokkene die de klacht heeft ingediend;

6° de verdere stappen die kunnen worden genomen als de klachtbehandeling voor de melder van de klacht geen afdoende resultaat heeft opgeleverd.

Art. 13. De dienst is in orde met de sociale zekerheidsbijdragen en de belastingen.

De dienst sluit een afdoende burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering voor de patiënt met betrekking tot de uitbating.

Afdeling 3. — De ziekenwagen niet-dringend liggend ziekenvervoer

Art. 14. De ziekenwagen wordt gedurende het volledige transport van de patiënt bemand door twee ambulanciers niet-dringend patiëntenvervoer. Een ambulancier niet-kritiek patiëntenvervoer begeleidt de patiënt in de sanitaire cel van de ziekenwagen.

Art. 15. De ambulancier niet-kritiek patiëntenvervoer is houder van het certificaat van een opleiding eerste hulp van minstens 24 uur, tenzij hij zich kan beroepen op eerder verworven kwalificaties. Dat certificaat is op het moment waarop hij de functie opneemt, niet ouder dan drie jaar. Een organisatie die bekrachtigd is door de gemengde werkgroep opleiding, reikt het certificaat uit. De lijst van de bekrachtigde organisaties wordt gepubliceerd op de website van het agentschap.

Met ingang van 27 maart 2020 worden de woorden “niet-kritiek” vervangen door de woorden “niet-dringend”.

Art. 16. De ambulancier niet-kritiek patiëntenvervoer is houder van het brevet van hulpverlener-ambulancier, vermeld in artikel 6ter, § 2, van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening.

Met ingang van 27 maart 2025 worden de woorden “niet-kritiek” vervangen door de woorden “niet-dringend”.

Art. 17. In elke ziekenwagen worden de tarieven en maximumtarieven duidelijk zichtbaar geafficheerd.

Art. 18. § 1. De ziekenwagen heeft alleen de uiterlijke kenmerken, vermeld in dit artikel.

De technische specificaties van de materialen, vermeld in dit artikel, zijn opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

De grafische weergave van de uiterlijke kenmerken, vermeld in dit artikel, is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

§ 2. De basiskleur van de ziekenwagen is wit.

In het eerste lid wordt verstaan onder wit : de kleur met RAL-nummer 9010.

§ 3. Op elke zijkant van de ziekenwagen wordt een dubbele rij vierkante blokken aangebracht in een blokpatroon.

De blokken, vermeld in het eerste lid, hebben een zijde van 100 millimeter. Het blokpatroon bestaat afwisselend uit blokken microprismatisch retroreflecterend, fluorescent geel/groen (basiskleur) en blokken microprismatisch retroreflecterend groen (contrasterende kleur).

Het blokpatroon wordt zo aangebracht dat de bovenzijde ervan op dezelfde hoogte komt als de gemiddelde hoogte van de onderzijde van het venster in het portier aan de voorzijde.

§ 4. Op de ziekenwagen wordt op de achterzijde en de zijkanten een microprismatisch retroreflecterende witte omtrekmarkering aangebracht die parallel verloopt met de omtreklijnen van het voertuig. De zelfklevende omtrekmarkering heeft een breedte van 50 millimeter.

In de rand van de deuren worden ook microprismatisch retroreflecterende witte markeringen aangebracht, zodat de omtrek van openstaande deuren altijd duidelijk zichtbaar is, ook bij duisternis en in minder gunstige weersomstandigheden.

§ 5. Op de achterzijde van de ziekenwagen worden over een zo groot mogelijk oppervlak chevrons aangebracht. Het minimale oppervlak van het koetswerk van de achterzijde van het voertuig dat voorzien moet zijn van chevrons is dat gedeelte van de onderzijde van het voertuig dat in de hoogte overeenkomt met de bovenzijde van de rij blokken aan de zijkant van het voertuig.

In het eerste lid wordt verstaan onder chevrons : schuine strepen van 100 millimeter breedte.

De zelfklevende chevrons worden aangebracht onder een hoek gevormd door twee lijnen die enerzijds allebei vertrekken vanuit het middelpunt van de achterzijde van het voertuig en anderzijds elk lopen naar een onderste, buitenste hoek van het voertuig. Boven de voormelde lijnen wordt een streep microprismatisch retroreflecterend fluorescent geel/groen aangebracht. Onder de lijnen wordt een streep microprismatisch retroreflecterend, fluorescent oranje aangebracht.

§ 6. Op de achterzijde van de ziekenwagen worden het telefoonnummer en het woord “AMBULANCE” onder elkaar aangebracht, uitgevoerd in rode retroreflecterende zelfklevende alfanumerieke tekens in het lettertype Segoe UI bold met een hoogte van 100 millimeter. De afstand tussen de onderrand van de cijfers van het telefoonnummer en de bovenrand van de letters is gelijk aan 100 millimeter.

Het telefoonnummer en het woord “AMBULANCE” worden allebei gekleefd volgens een rechte lijn loodrecht op en gecentreerd ten opzichte van de middellijn van de breedte van het voertuig, gezien vanaf de achterzijde.

Op de achterzijde van de ziekenwagen wordt de combinatie van het telefoonnummer en de aanduiding van de functie aangebracht gecentreerd tussen de rand van het dak van het voertuig en de bovenzijde van het venster of de vensters achteraan.

§ 7. Op de achterzijde van de ziekenwagen wordt rechts onderaan het identificatienummer gekleefd dat het agentschap toekent. Dat identificatienummer wordt uitgevoerd in zwarte zelfklevende cijfers in het lettertype Segoe UI bold en heeft een hoogte van 75 millimeter. Het identificatienummer wordt aangebracht zodat er rechts en onder dat nummer 50 millimeter afstand is ten opzichte van de dichtstbij gelegen rand van het koetswerk.

§ 8. Optioneel kan op de beide zijkanten van de ziekenwagen het logo van de ziekenwagendienst en/of de naam van de ziekenwagendienst worden aangebracht.

Het logo en de naam, vermeld in het eerste lid, worden uitgevoerd in zelfklevende folie die geen retroreflecterende of fluorescente eigenschappen heeft.

De grootte van het logo mag de afmetingen van een vierkant met een zijde van 400 millimeter niet overschrijden.

Het logo van de ziekenwagendienst wordt horizontaal zo geplaatst dat er 100 millimeter ruimte is tussen het voorste punt van het logo en de achterste dakstijl (B-stijl of C-stijl, afhankelijk van het model van het voertuig) van het laatste portier aan de zijkant. Verticaal gezien wordt het logo van de ziekenwagendienst op een afstand gelijk aan een vierde van de hoogte van het voertuig, gemeten vanaf het grondoppervlak tot aan de dakrand ter hoogte van het eerder bepaalde horizontale middelpunt, en dat vanaf de dakrand. Het logo van de ziekenwagendienst mag nooit over het blokpatroon komen. Als het nodig is, wordt het logo van de ziekenwagendienst opgeschoven, zodat hieraan voldaan

wordt, er wel voor zorgend dat er minimaal 100 millimeter vrije ruimte blijft rond het logo van de ziekenwagendienst.
De tekens die worden gebruikt voor de naam van de ziekenwagendienst zijn uitgevoerd in het lettertype Segoe UI bold en mogen niet groter zijn dan 100 millimeter. De kleur van de tekens in de naam van de ziekenwagendienst is dezelfde als de contrasterende kleur in het blokpatroon, of wit als de naam van de ziekenwagendienst aangebracht moet worden ter hoogte van een venster, rekening houdend met de positionering, vermeld in het vierde lid.

De naam van de ziekenwagendienst is gecentreerd tussen de verticale lijnen gevormd door enerzijds de voorzijde van het logo van de ziekenwagendienst en anderzijds de verticale lijn die zich 150 millimeter naar de achterzijde bevindt ten opzichte van het midden van de afstand tussen de achterzijde van het voertuig en de as van de achterste wielen. De afstand tussen de onderrand van de naam van de ziekenwagendienst en de bovenzijde van het blokpatroon bedraagt 100 millimeter. Er is minimaal 50 millimeter afstand tussen de bovenzijde van de letters in de naam van de ziekenwagendienst en de onderzijde van een logo dat eventueel wordt aangebracht.

§ 9. Optioneel kan op de motorkap van de ziekenwagen het woord “AMBULANCE” opgenomen worden. De functie wordt opgenomen in rode retroreflecterende zelfklevende letters, uitgevoerd in het lettertype Segoe UI bold, met een hoogte van 100 millimeter. De letters van het woord “AMBULANCE” worden gekleefd volgens een rechte lijn loodrecht op en gecentreerd ten opzichte van de middellijn van de motorkap in de breedte van het voertuig, gezien vanaf de voorzijde. De afstand tussen de onderste rand van de letters en het dichtstbij gelegen punt van de voorste rand van de motorkap bedraagt 100 millimeter.

Optioneel kan op de motorkap van de ziekenwagen het telefoonnummer van de ziekenwagendienst worden aangebracht. Het telefoonnummer wordt uitgevoerd in rode zelfklevende cijfers in het lettertype Segoe UI bold met een hoogte van 100 millimeter. Het telefoonnummer wordt gekleefd volgens een rechte lijn loodrecht op en gecentreerd ten opzichte van de middellijn van de motorkap in de breedte van het voertuig, gezien vanaf de voorzijde. De afstand tussen de onderrand van de cijfers van het telefoonnummer en de bovenrand van de letters van het woord “AMBULANCE”, is 100 millimeter.

Als er onvoldoende plaats is op de motorkap van het voertuig, mag het telefoonnummer boven de voorruit worden aangebracht, gecentreerd enerzijds ten opzichte van de breedte van het voertuig en anderzijds ten opzichte van de hoogte tussen de rand van het dak en de bovenzijde van de voorruit.

Art. 19. De ziekenwagen is ten minste uitgerust met:

1° een hoofdbrancard of een hoofdbrancard op onderstel met matras en drie riemen, die minstens het bekken en de schouders van de patiënt kan fixeren;

2° een schepbrancard of equivalent;

3° een draagstoel;

4° twee zitplaatsen om een persoon comfortabel en veilig te vervoeren. Alle zitplaatsen zijn uitgerust met hoofdsteunen, rugleuningen en veiligheidsgordels;

5° een draagzeil, transfermatras of patiëntslide;

6° een zuurstofvoorraad van ten minste 250 liter die bestaat uit de volgende zuurstofflessen:

a) een vaste zuurstoffles van ten minste 2000 liter, of het equivalent daarvan, met reduceerventiel, debietregelaar met regelkraan die een maximumdebiet van minstens 15 liter per minuut mogelijk maakt;

b) een draagbare zuurstoffles van ten minste 400 liter met reduceerventiel, debietregelaar met regelkraan die een maximumdebiet van minstens 15 liter per minuut mogelijk maakt;

7° een manuele beademingsballon met zuurstofaansluiting en zuurstofreservoir met een gezichtsmasker voor volwassenen en een gezichtsmasker voor kinderen;

8° zuurstofmaskers voor verhoogde zuurstofconcentratie voor volwassenen;

9° zuurstofmaskers voor verhoogde zuurstofconcentratie voor kinderen;

10° zuurstofbrillen voor volwassenen;

11° zuurstofbrillen voor kinderen;

12° een draagbaar manueel aspiratietoestel met aspiratiesondes van minstens volgende maten:

a) 8 CH;

b) 12 CH;

c) 14 CH;

13° een CE-goedgekeurde geautomatiseerde externe defibrillator type 1 of hoger, met elektroden voor volwassenen;

14° dekens;

15° hygiënische bescherming van de brancard, zoals textiel- of wegwerplakens;

16° een decontamineerbaar hoofdkussen;

17° reinigings- en decontaminatiemateriaal om na het vervoer van een besmette patiënt de ziekenwagen te decontamineren;

18° ontsmettende handgel;

19° niet-steriele wegwerphandschoenen;

20° wegwerpnierbekkens;

21° een vuilnisbakje;

22° een container voor scherpe voorwerpen en naalden;

23° steriele kompressen van minstens 7,5 cm op 7,5 cm;

24° absorberende verbanden van 20 cm op 10 cm;

25° elastische verbanden van verschillende breedte;

26° een brede rol pleister;

27° ontsmettingsmiddel voor levend weefsel in unidoseverpakking;

28° decontaminatiemiddel voor inert materiaal;

29° een verbandschaar;

30° een beschermset voor besmettelijke ziekten, die bestaat uit een beschermingspak, een beschermbril, chirurgische maskers en FFP2-maskers;

31° een bedpan met deksel;

32° een onbreekbaar of wegwerp urinaal;

33° wegwerpzakdoekjes;

34° wegwerphanddoekjes;

35° een communicatiemiddel zoals een gsm of een mobiele zender - ontvanger;

36° een zak om besmet materiaal op te bergen.

HOOFDSTUK 3. — Vergunningsprocedure

Afdeling 1. — Voorlopige vergunning en vergunning

Art. 20. Een dienst die een vergunning voor niet-dringend liggend ziekenvervoer wil verkrijgen, dient daarvoor een vergunningsaanvraag in bij het agentschap en vraagt een controle aan bij een gemachtigde controleorganisatie.

Bij een aanvraag tot controle zijn al de volgende documenten gevoegd:

1° een nota met de vermelding van de maatschappelijke zetel van de dienst, de naam van de medisch verantwoordelijke, vermeld in artikel 4, en de naam van de algemeen verantwoordelijke, vermeld in artikel 5. De medisch verantwoordelijke en de algemeen verantwoordelijke ondertekenen die nota;

2° een lijst met het aantal ziekenwagens en de standplaats ervan;

3° (opgeheven)

De aanvraag van een eerste vergunning betreft altijd de vergunning voor de ziekenwagendienst en alle ziekenwagens die behoren tot de ziekenwagendienst.

Als het dossier onvolledig is, deelt de gemachtigde controleorganisatie dat mee aan de aanvrager en het agentschap, met vermelding van de ontbrekende gegevens, binnen een maand nadat ze het dossier heeft ontvangen.

Art. 21. Uiterlijk binnen een maand nadat ze een ontvankelijk dossier heeft ontvangen, controleert de gemachtigde controleorganisatie, op basis van het eisenkader dat het agentschap heeft opgesteld, na advies van de onafhankelijke commissie, of de dienst en de ziekenwagens niet-dringend liggend ziekenvervoer die tot de dienst behoren, voldoen aan de vergunningsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4.

In het eisenkader, vermeld in het eerste lid, zijn de te controleren vergunningsvoorwaarden vertaald naar concrete en objectieve vaststellingen. Het eisenkader wordt gepubliceerd op de website van het agentschap. Het agentschap bepaalt voor elk van de vergunningsvoorwaarden, vermeld in het eisenkader, na advies van de onafhankelijke commissie, de waarde op basis waarvan het oordeel, vermeld in artikel 22, moet worden gegeven.

De ziekenwagendienst wordt ter plaatse gecontroleerd. De ziekenwagens worden steekproefsgewijs gecontroleerd. De grootte van de steekproef bedraagt 10% van het aantal ziekenwagens van de ziekenwagendienst, met een minimum van drie en een maximum van tien. De steekproef bevat ziekenwagens die at random door de gemachtigde controleorganisatie zijn geselecteerd. De gemachtigde controleorganisatie kan op het moment van de controle beslissen dat de steekproef wordt uitgebreid. In dat geval motiveert ze die beslissing in het verslag, vermeld in artikel 22. De dienst die de controle heeft aangevraagd, kan tijdens de controle de gemachtigde controleorganisatie ook
vragen om de steekproefsgewijze controle te vervangen door een controle van alle ziekenwagens.

De dienst stelt aan de gemachtigde controleorganisatie alle gegevens ter beschikking die voor de controle noodzakelijk zijn, en de dienst verleent de toegang tot de dienst en alle ziekenwagens om de controle te laten uitvoeren.

Art. 22. Binnen een maand na de controle maakt de gemachtigde controleorganisatie een omstandig verslag, volgens een model dat het agentschap heeft bepaald, na advies van de onafhankelijke commissie.

In het verslag wordt het oordeel over de dienst en iedere gecontroleerde ziekenwagen vermeld. Het oordeel is gunstig, gunstig met voorbehoud of ongunstig.

Het verslag wordt naar de dienst gestuurd met een kopie naar het agentschap.

Art. 23. § 1. Onder voorbehoud van het uitvoeren van een bijkomende controle, vermeld in artikel 30, beslist het agentschap over de vergunningsaanvraag uiterlijk een maand nadat het verslag, vermeld in artikel 22, werd ontvangen.

Als er een bijkomende controle wordt uitgevoerd, beslist het agentschap binnen een maand nadat het agentschap het verslag van de bijkomende controle, vermeld in artikel 30, heeft ontvangen.

Een positieve vergunningsbeslissing vermeldt de begin- en einddatum van de voorlopige vergunning of de vergunning.

Een vergunning is maximaal zes jaar geldig.

Een voorlopige vergunning geldt voor zes maanden en is twee keer met telkens maximaal zes maanden verlengbaar.

In het voornemen tot weigering van een vergunning voor de dienst of voor een of meer ziekenwagens, vermeld in paragraaf 4, worden de mogelijkheid en de nadere regels om een bezwaarschrift in te dienen vermeld.

Nadat de dienst een voorlopige vergunning heeft ontvangen voor de dienst of voor een of meer ziekenwagens, heeft de dienst drie maanden de tijd om de vastgestelde tekorten weg te werken. Uiterlijk binnen drie maanden nadat de dienst het verslag, vermeld in artikel 22, heeft ontvangen, vraagt ze een tweede controle aan bij de gemachtigde controleorganisatie die de voorgaande controle heeft uitgevoerd. Uiterlijk binnen een maand vanaf de dag waarop de controleorganisatie de tweede aanvraag tot controle heeft ontvangen, controleert ze of de vastgestelde tekortkomingen zijn weggewerkt. Binnen een maand na het beëindigen van de controle maakt de controleorganisatie een verslag als vermeld in artikel 22. Dat verslag wordt naar de dienst gestuurd met een kopie aan het agentschap.

Als bij een steekproefsgewijze controle een of meer ziekenwagens als ongunstig worden beoordeeld, worden alle ziekenwagens als ongunstig beoordeeld. Als bij een steekproefsgewijze controle een of meer ziekenwagens als gunstig met voorbehoud worden beoordeeld en geen enkele ziekenwagen als ongunstig, worden alle ziekenwagens als gunstig met voorbehoud beoordeeld.

Een tweede controle van ziekenwagens na een steekproefsgewijze controle heeft zowel betrekking op de eerder gecontroleerde ziekenwagens waarbij effectief tekorten werden vastgesteld, als op een nieuwe steekproef.

Een tweede controle van ziekenwagens na een controle van alle ziekenwagens beperkt zich tot de ziekenwagens waarbij effectief tekorten werden vastgesteld.

§ 2. Als het verslag, vermeld in artikel 22, een gunstige beoordeling bevat van de dienst en een gunstige beoordeling van de gecontroleerde ziekenwagens, bezorgt het agentschap een vergunning voor de dienst en een vergunning met bijbehorend uniek identificatienummer voor alle ziekenwagens aan de dienst, tenzij de administrateur-generaal anders beslist op grond van bevindingen na een bijkomende controle als vermeld in artikel 30.

§ 3. Als het verslag, vermeld in artikel 22, een gunstige beoordeling met voorbehoud van de dienst bevat, en na een steekproefsgewijze controle een gunstige beoordeling of een gunstige beoordeling met voorbehoud van de ziekenwagens bevat, bezorgt het agentschap een voorlopige vergunning voor de dienst en een voorlopige vergunning met bijbehorend voorlopig uniek identificatienummer voor alle ziekenwagens aan de dienst, tenzij de administrateur-generaal anders beslist op grond van bevindingen na een bijkomende controle als vermeld in artikel 30.

§ 4. Als het verslag, vermeld in artikel 22, een ongunstige beoordeling bevat van de dienst of een derde opeenvolgende gunstige beoordeling met voorbehoud van de dienst bevat, bezorgt het agentschap aan de dienst een voornemen tot weigering van vergunning voor de dienst en voor alle ziekenwagens die aan de dienst verbonden zijn, tenzij de administrateur-generaal anders beslist op grond van bevindingen na een bijkomende controle als vermeld in artikel 30. Een eerder verleende voorlopige vergunning blijft geldig zolang de bezwaartermijn, vermeld in artikel 24, eerste lid, loopt, of, als een ontvankelijk bezwaarschrift is ingediend, tot de datum van de definitieve beslissing over de aangevraagde vergunning.

§ 5. Als het verslag, vermeld in artikel 22, een gunstige beoordeling van de dienst en, na een steekproefsgewijze controle, een gunstige beoordeling met voorbehoud voor de ziekenwagens bevat, bezorgt het agentschap een voorlopige vergunning voor de dienst en een voorlopige vergunning met bijbehorend voorlopig uniek identificatienummer voor alle ziekenwagens aan de dienst, tenzij de administrateur-generaal anders beslist op grond van bevindingen na een bijkomende controle als vermeld in artikel 30.

§ 6. Als het verslag, vermeld in artikel 22, na een steekproefsgewijze controle, een ongunstige beoordeling voor de ziekenwagens bevat of een derde opeenvolgende gunstige beoordeling met voorbehoud voor de ziekenwagens bevat, of na een controle van alle ziekenwagens, alle ziekenwagens een ongunstige beoordeling hebben gekregen of een derde opeenvolgende gunstige beoordeling met voorbehoud voor de ziekenwagens hebben gekregen, bezorgt het agentschap aan de dienst een voornemen tot weigering van vergunning voor de dienst en voor alle ziekenwagens die aan de dienst verbonden zijn, tenzij de administrateur-generaal anders beslist op grond van bevindingen na een bijkomende controle als vermeld in artikel 30. Een eerder verleende voorlopige vergunning blijft geldig zolang de bezwaartermijn, vermeld in artikel 24, eerste lid, loopt, of, als een ontvankelijk bezwaarschrift is ingediend, tot de datum van de definitieve beslissing over de aangevraagde vergunning.

§ 7. Als het verslag, vermeld in artikel 22, een gunstige beoordeling van de dienst bevat en, na een controle van alle ziekenwagens, minstens één ziekenwagen met een gunstige beoordeling, bezorgt het agentschap aan de dienst :

1° een vergunning voor de dienst;

2° naargelang de beoordeling van de afzonderlijke ziekenwagens :

a) een vergunning met bijbehorend uniek identificatienummer voor de ziekenwagens die een gunstige beoordeling hebben gekregen;

b) een voorlopige vergunning met bijbehorend voorlopig uniek identificatienummer voor de ziekenwagens die een gunstige beoordeling met voorbehoud hebben gekregen;

c) een voornemen tot weigering van vergunning voor de ziekenwagens die ofwel een ongunstige beoordeling, ofwel een derde opeenvolgende gunstige beoordeling met voorbehoud hebben gekregen.

Een eerder verleende voorlopige vergunning voor een ziekenwagen die in het verslag, vermeld in het eerste lid, een ongunstige beoordeling of derde opeenvolgende gunstige beoordeling met voorbehoud voor de ziekenwagens heeft gekregen, blijft geldig zolang de bezwaartermijn, vermeld in artikel 24, eerste lid, loopt, of, als een ontvankelijk bezwaarschrift is ingediend, tot de datum van de definitieve beslissing over de aangevraagde vergunning.

§ 8. Als het verslag, vermeld in artikel 22, een gunstige beoordeling met voorbehoud van de dienst bevat en, na een controle van alle ziekenwagens, minstens één ziekenwagen met een gunstige beoordeling of een gunstige beoordeling met voorbehoud voor de ziekenwagens bevat, bezorgt het agentschap aan de dienst :

1° een voorlopige vergunning voor de dienst;

2° naargelang de beoordeling van de afzonderlijke ziekenwagens :

a) een voorlopige vergunning met bijbehorend voorlopig uniek identificatienummer voor de ziekenwagens die een gunstige beoordeling of een gunstige beoordeling met voorbehoud hebben gekregen;

b) een voornemen tot weigering van vergunning voor de ziekenwagens die ofwel een ongunstige beoordeling, ofwel een derde opeenvolgende gunstige beoordeling met voorbehoud hebben gekregen.

Een eerder verleende voorlopige vergunning blijft geldig zolang de bezwaartermijn, vermeld in artikel 24, eerste lid, loopt, of, als een ontvankelijk bezwaarschrift is ingediend, tot de datum van de definitieve beslissing over de aangevraagde vergunning.

§ 9. Als het verslag, vermeld in artikel 22, een gunstige beoordeling van de dienst bevat en, na een controle van alle ziekenwagens, geen enkele ziekenwagen met een gunstige beoordeling en minstens één ziekenwagen met een gunstige beoordeling met voorbehoud bevat, bezorgt het agentschap aan de dienst :

1° een voorlopige vergunning voor de dienst;

2° naargelang de beoordeling van de afzonderlijke ziekenwagens :

a) een voorlopige vergunning met bijbehorend voorlopig uniek identificatienummer voor de ziekenwagens die een gunstige beoordeling met voorbehoud hebben gekregen;

b) een voornemen tot weigering van vergunning voor de ziekenwagens die ofwel een ongunstige beoordeling, ofwel een derde opeenvolgende gunstige beoordeling met voorbehoud hebben gekregen.

Een eerder verleende voorlopige vergunning blijft geldig zolang de bezwaartermijn, vermeld in artikel 24, eerste lid, loopt, of, als een ontvankelijk bezwaarschrift is ingediend, tot de datum van de definitieve beslissing over de aangevraagde vergunning.

Art. 24. Op straffe van onontvankelijkheid kan de dienst tot uiterlijk dertig dagen nadat hij het voornemen tot weigering vermeld in artikel 23, § 4, heeft ontvangen, met een aangetekende zending of tegen ontvangstbewijs een gemotiveerd bezwaarschrift bij het agentschap indienen. Hij kan daarin uitdrukkelijk vragen om te worden gehoord.

Binnen een maand nadat het agentschap het gemotiveerde bezwaarschrift heeft ontvangen, bezorgt het agentschap het bezwaarschrift, het voornemen tot weigering, vermeld in artikel 23, § 4, en het verslag, vermeld in artikel 22, aan de onafhankelijke commissie voor advies. De onafhankelijke commissie behandelt het bezwaar conform de werkwijze, vermeld in het huishoudelijk reglement. Binnen twee maanden nadat de onafhankelijke commissie een bezwaarschrift heeft ontvangen, formuleert ze een advies aan de administrateur-generaal.

Art. 25. Binnen twee maanden nadat de administrateur-generaal het advies van de onafhankelijke commissie, vermeld in artikel 24, heeft ontvangen, of, als het advies hem niet bereikt binnen de termijn, vermeld in artikel 24, binnen een maand nadat die termijn verstreken is, wordt de vergunning, de voorlopige vergunning of de beslissing om de vergunning te weigeren, met een aangetekende zending aan de dienst betekend.

Als het advies van de onafhankelijke commissie, vermeld in artikel 24, tweede lid, ontbreekt, kan de administrateur-generaal geen beslissing nemen zonder dat hij de dienst heeft gehoord, als die daarom heeft verzocht in zijn bezwaarschrift. De termijn, vermeld in het eerste lid, wordt in dat geval met een maand verlengd.

Als de administrateur-generaal van oordeel is dat het advies van de onafhankelijke commissie niet kan worden gevolgd, beslist de minister.

Art. 26. Als de dienst geen bezwaarschrift als vermeld in artikel 24, heeft ingediend binnen dertig dagen nadat hij het voornemen tot weigering van vergunning heeft ontvangen, wordt, nadat die termijn verstreken is, het voornemen van de administrateur-generaal geacht van rechtswege een weigeringsbeslissing te zijn.

Het agentschap brengt de dienst binnen een maand nadat de termijn, vermeld in het eerste lid, verstreken is met een aangetekende zending op de hoogte. Het bezorgt een kopie van die brief aan de onafhankelijke commissie.

Art. 27. Het agentschap publiceert op zijn website een lijst van voorlopig vergunde en vergunde diensten niet-dringend liggend ziekenvervoer, hun vergunde en voorlopig vergunde ziekenwagens met bijbehorende uniek identificatienummers, en de begin- en einddatum van de vergunningen.

Afdeling 2. — Verlenging van vergunning

Art. 28. § 1. Een dienst die een verlenging van een vergunning voor niet-dringend liggend ziekenvervoer wil verkrijgen, dient daarvoor uiterlijk zes maanden voor de lopende vergunning verstreken is, een verlengingsaanvraag in bij het agentschap en een aanvraag tot controle bij een gemachtigde controleorganisatie.

Bij een aanvraag tot controle zijn de documenten, vermeld in artikel 20, tweede lid, gevoegd als er veranderingen zijn doorgevoerd sinds de laatste controle.

§ 2. Voor het einde van de periode van de lopende vergunning wordt de procedure, vermeld in artikel 21, 22 en 23, doorlopen.

§ 3. Als er een gunstige beoordeling is, wordt de vergunning met bijbehorende uniek identificatienummer van de ziekenwagens verlengd.

Het agentschap past de einddatum aan van de vergunning van de dienst en de ziekenwagens die aan de dienst verbonden zijn, en neemt de dienst op in de lijst van vergunde diensten niet-dringend liggend ziekenvervoer op de website van het agentschap.

§ 4. Als er geen gunstige beoordeling is, deelt het agentschap de dienst een voornemen tot weigering van verlenging van de vergunning mee, met vermelding van de mogelijkheid en de nadere regels om een bezwaarschrift in te dienen.

Artikel 24, 25 en 26 zijn van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 3. — Aanpassing van vergunning

Art. 29. § 1. Als een ziekenwagen van een vergunde dienst definitief buiten dienst wordt gesteld, meldt de dienst dat binnen een maand aan het agentschap.

Het agentschap zet de vergunning van het voertuig in kwestie stop. Het agentschap schrapt de ziekenwagen van de lijst van vergunde diensten niet-dringend liggend ziekenvervoer, zoals gepubliceerd op de website van het agentschap.

§ 2. Een vergunde dienst die een bijkomende ziekenwagen in dienst wil stellen of een vergunde ziekenwagen wil vervangen, dient daarvoor een vergunningsaanvraag in bij het agentschap en vraagt een controle van die ziekenwagen aan bij een gemachtigde controleorganisatie.

Binnen vijftien dagen nadat de gemachtigde controleorganisatie de aanvraag ontvangen heeft, controleert ze het voertuig in kwestie.

Binnen vijftien dagen na de controle maakt de gemachtigde controleorganisatie een verslag. In het verslag wordt een conclusie van de beoordeling vermeld. Die conclusie is gunstig, gunstig met voorbehoud of ongunstig. Dat verslag wordt naar de dienst en naar het agentschap gestuurd.

§ 3. Als er een gunstige beoordeling met voorbehoud is, bezorgt het agentschap een voorlopige vergunning voor het voertuig in kwestie. Artikel 23 is van overeenkomstige toepassing.

§ 4. Als er een ongunstige beoordeling is, bezorgt het agentschap een voornemen tot weigering van vergunning voor het desbetreffende voertuig. Artikel 23, 24, 34 en 35 zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 5. Als er een gunstige beoordeling is, bezorgt het agentschap een vergunning van het voertuig in kwestie met bijbehorend uniek identificatienummer van de ziekenwagen aan de dienst. De vergunning voor het bijkomende voertuig vermeldt de begin- en einddatum. Het agentschap vermeldt de vergunning voor het bijkomende voertuig, met bijbehorend uniek identificatienummer, op de lijst van vergunde diensten niet-dringend liggend ziekenvervoer, zoals gepubliceerd op de website van het agentschap.

De dienst mag in geen geval de bijkomende ziekenwagen in gebruik nemen vóór de begindatum van de vergunning voor het bijkomende voertuig. De vergunning voor het bijkomende voertuig is geldig tot de einddatum van de lopende vergunning van de dienst.

Afdeling 4. — Bijkomende controle

Art. 30. Het agentschap kan op verzoek van de onafhankelijke commissie of op eigen initiatief altijd een controle op de naleving van de vergunningsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4, bevelen door een gemachtigde controleorganisatie. De controle kan aangekondigd of onaangekondigd uitgevoerd worden.

Zorginspectie kan controles uitvoeren overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 19 januari 2018 houdende het overheidstoezicht in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid.

In het tweede lid wordt verstaan onder Zorginspectie: de Zorginspectie, vermeld in artikel 3, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 betreffende het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, betreffende de inwerkingtreding van regelgeving tot oprichting van agentschappen in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en betreffende de wijziging van regelgeving met betrekking tot dat beleidsdomein.

Afdeling 5. — Intrekking van vergunning

Art. 31. § 1. Als de dienst niet langer voldoet aan de vergunningsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 1, kan het agentschap de dienst met een aangetekende zending aanmanen om binnen de drie maanden al zijn verplichtingen na te komen. De aanmaning vermeldt de periode en de voorwaarden die vervuld moeten zijn om de intrekking van de vergunning te voorkomen.

Als, ondanks de aanmaning, de vergunningsvoorwaarden niet worden nageleefd, wordt de vergunning voor de dienst ingetrokken.

§ 2. Als een ziekenwagen van een dienst niet langer voldoet aan de vergunningsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, kan het agentschap de dienst met een aangetekende zending aanmanen om binnen drie maanden al zijn verplichtingen na te komen. De aanmaning vermeldt de periode en de voorwaarden die vervuld moeten zijn om de intrekking van de vergunning te voorkomen.

Als, ondanks de aanmaning, de vergunningsvoorwaarden niet worden nageleefd, wordt de vergunning voor de ziekenwagen in kwestie ingetrokken.

Art. 32. Het voornemen om de vergunning in te trekken, wordt aan de dienst betekend met een aangetekende zending van het agentschap, waarin de mogelijkheden en de nadere regels vermeld zijn om een bezwaarschrift conform artikel 24 in te dienen.

Art. 33. De beslissing tot intrekking van de vergunning wordt met een aangetekende zending aan de dienst bezorgd en vermeldt de datum vanaf wanneer de vergunning wordt ingetrokken.

HOOFDSTUK 4. — Procedure voor de behandeling van klachten in de tweede lijn

Art. 34. Klachten over de dienstverlening binnen het niet-dringend liggend ziekenvervoer kunnen schriftelijk worden ingediend bij het agentschap. Het agentschap gaat na of het een klacht in tweede lijn als vermeld in artikel 5, § 1, van het decreet van 18 mei 2018, betreft. Als dat niet het geval is, wordt aan de persoon die de klacht heeft ingediend, gevraagd de klacht te richten aan de desbetreffende ziekenwagendienst, die de klacht behandelt conform de klachtenprocedure, vermeld in artikel 12 van dit besluit.

Voor elke klacht in tweede lijn bezorgt het agentschap schriftelijk een ontvangstmelding, binnen tien dagen nadat het de klacht ontvangen heeft, aan de persoon die de klacht heeft ingediend. In de ontvangstmelding wordt meegedeeld dat de klacht voor advies aan de onafhankelijke commissie is bezorgd, met vermelding van de datum van de eerstvolgende bijeenkomst van de onafhankelijke commissie.

Het agentschap agendeert de klacht in tweede lijn op de volgende bijeenkomst van de onafhankelijke commissie.

De onafhankelijke commissie behandelt de klacht conform de werkwijze, vermeld in het huishoudelijk reglement. De onafhankelijke commissie formuleert binnen dertig dagen een schriftelijk advies aan het agentschap over de correcte behandeling van de klacht door de dienst conform artikel 12, de aard, de gegrondheid en eventuele correctieve maatregelen ingevolge de klacht. Die termijn kan, na motivatie, één keer met dertig dagen worden verlengd.

Het agentschap bezorgt de persoon die de klacht heeft gemeld, uiterlijk binnen dertig dagen nadat het het advies, vermeld in derde lid, heeft ontvangen, schriftelijk een antwoord.

HOOFDSTUK 5. — De onafhankelijke controleorganisaties

Art. 35. § 1. De administrateur-generaal kan organisaties machtigen om controles uit te voeren op de naleving van de vergunningsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk 2. Die organisaties stellen zich daarvoor kandidaat bij het agentschap.

§ 2. Om een machtiging van de administrateur-generaal als vermeld in paragraaf 1, te verkrijgen, voldoet een organisatie aan al de volgende criteria:

1° ze beschikt over een accreditatie conform ISO 17021-1 bij BELAC voor de certificatie van kwaliteitsmanagementsystemen;

2° ze beschikt over een sectorale BELAC-accreditatie voor de volgende EA-sectoren:

a) 31A: vervoer te land;

b) 38A: gezondheid en maatschappelijke dienstverlening;

3° ze kan Nederlandstalige audits uitvoeren;

4° ze beschikt over een schriftelijke procedure om certificatie-audits bij ziekenwagendiensten uit te voeren. Die procedure bevat het engagement dat controles worden uitgevoerd op basis van een eisenkader dat daarvoor ontworpen is, en dat de onafhankelijke commissie heeft opgesteld;

5° ze beschikt over voldoende middelen om de controles binnen de vastgelegde termijnen te kunnen uitvoeren.

§ 3. Het agentschap bezorgt de kandidatuur voor advies aan de onafhankelijke commissie. De onafhankelijke commissie adviseert op basis van de criteria, vermeld in paragraaf 2, binnen twee maanden nadat ze de kandidatuur, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen, of de kandidaat geschikt is om de controles, vermeld in artikel 21, 23 en artikel 29, § 2, op kwaliteitsvolle wijze uit te voeren. De onafhankelijke commissie bezorgt haar advies schriftelijk aan het agentschap en de aanvrager.

Art. 36. § 1. Binnen twee maanden nadat hij het advies van de onafhankelijke commissie ontvangen heeft, bezorgt de administrateur-generaal een machtiging of een voornemen tot weigering van een machtiging aan de kandidaat met een aangetekende brief.

De machtiging geldt voor een periode van tien jaar en is hernieuwbaar.

Als het advies van de onafhankelijke commissie uitblijft binnen de termijn, vermeld in artikel 35, § 3, beslist de administrateur-generaal.

§ 2. Op straffe van onontvankelijkheid kan de kandidaat die een voornemen tot weigering van de gevraagde machtiging heeft ontvangen van het agentschap, tot uiterlijk dertig dagen nadat hij dit voornemen heeft ontvangen, bij het agentschap met een aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs een bezwaarschrift tegen de weigering indienen met zijn opmerkingen en, als de kandidaat dat wil, met het uitdrukkelijke verzoek om gehoord te worden.

Het bezwaarschrift van de aanvrager wordt, samen met het advies van de onafhankelijke commissie, het voornemen tot weigering van een machtiging en de kandidatuur, opnieuw voorgelegd aan de onafhankelijke commissie, die op basis van de stukken en binnen twee maanden nadat ze het bezwaarschrift heeft ontvangen, een nieuw advies uitbrengt en bezorgt aan de aanvrager en de minister.

Binnen twee maanden nadat hij het tweede advies van de onafhankelijke commissie heeft ontvangen, of, als het advies hem niet bereikt binnen twee maanden nadat het bezwaarschrift, vermeld in het eerste lid, is ingediend bij het agentschap, een maand nadat die termijn verstreken is, bezorgt de minister zijn definitieve beslissing aan de kandidaat.

Als het advies van de onafhankelijke commissie, vermeld in het derde lid, ontbreekt, kan de minister geen beslissing nemen zonder dat hij de aanvrager heeft gehoord, als die daarom heeft verzocht in zijn bezwaarschrift. De termijn, vermeld in het derde lid, wordt in dat geval met een maand verlengd.

§ 3. Als de dienst geen bezwaarschrift als vermeld in paragraaf 2, heeft ingediend binnen dertig dagen nadat hij het voornemen tot weigering van machtiging heeft ontvangen, wordt, nadat die termijn verstreken is, het voornemen van de administrateur-generaal geacht van rechtswege een weigeringsbeslissing te zijn.

Art. 37. Een controle van een dienst niet-dringend liggend ziekenvervoer als vermeld in artikel 21 en 23, en een controle van een of meer ziekenwagens als vermeld in artikel 29, § 2, door een gemachtigde controleorganisatie resulteert altijd in een verslag, volgens een model dat het agentschap heeft bepaald, dat wordt bezorgd aan het agentschap.

Art. 38. § 1. Als een gemachtigde controleorganisatie niet langer voldoet aan de criteria, vermeld in artikel 35, § 2, of als een gemachtigde controleorganisatie de termijnen, vermeld in artikel 21, 22, 23, artikel 28 en 29, § 2, niet respecteert, of in andere gevallen van disfunctioneren kan de administrateur-generaal, op eigen initiatief of op advies van de onafhankelijke commissie, de machtiging van een controleorganisatie, vermeld in artikel 35, intrekken. De administrateur-generaal deelt het voornemen om de machtiging in te trekken, schriftelijk mee aan de organisatie in kwestie. In die brief worden de voorgenomen datum en de reden van de intrekking vermeld.

§ 2. Op straffe van onontvankelijkheid kan de organisatie, vermeld in paragraaf 1, tot uiterlijk dertig dagen nadat ze het voornemen tot intrekking van de machtiging heeft ontvangen, met een aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs een bezwaarschrift tegen het voornemen tot intrekking indienen met haar opmerkingen en, als die organisatie dat wil, met het uitdrukkelijke verzoek om gehoord te worden.

Het bezwaarschrift van de aanvrager wordt, samen met het voornemen tot intrekking van de machtiging door het agentschap, aan de minister bezorgd en voorgelegd aan de onafhankelijke commissie, die op basis van de stukken en binnen twee maanden nadat ze het bezwaarschrift heeft ontvangen, een advies uitbrengt.

Binnen twee maanden nadat hij het advies van de onafhankelijke commissie heeft ontvangen, of, als het advies hem niet bereikt binnen twee maanden nadat het bezwaarschrift, vermeld in het eerste lid, is ingediend bij het agentschap, een maand na het verstrijken van die termijn, bezorgt de minister zijn definitieve beslissing aan de kandidaat.

Als het advies van de onafhankelijke commissie, vermeld in het derde lid, ontbreekt, kan de minister geen beslissing nemen zonder dat hij de aanvrager heeft gehoord, als die daarom heeft verzocht in zijn bezwaarschrift. De termijn, vermeld in het derde lid, wordt in dat geval met een maand verlengd.

§ 3. Als de organisatie geen bezwaarschrift als vermeld in paragraaf 2, heeft ingediend binnen dertig dagen nadat hij het voornemen tot intrekking van de machtiging heeft ontvangen, wordt, nadat die termijn verstreken is, het voornemen van de administrateur-generaal geacht van rechtswege een intrekkingsbeslissing te zijn.

Art. 39. Het agentschap publiceert de lijst van gemachtigde controleorganisaties op zijn website.

HOOFDSTUK 6. — Slotbepalingen

Art. 40. Alle ziekenwagens die na de publicatie van dit besluit in dienst worden genomen, moeten, vanaf de zesde maand na de publicatie van dit besluit, voldoen aan de uiterlijke kenmerken, vermeld in artikel 18.

De ziekenwagens die al in dienst zijn genomen op het ogenblik van de publicatie van dit besluit, moeten uiterlijk vijf jaar na de publicatie van dit besluit voldoen aan de uiterlijke kenmerken, vermeld in artikel 18.

De ziekenwagens die in dienst worden genomen tussen de publicatiedatum van dit besluit en de zes daarop volgende maanden, mogen voldoen aan de uiterlijke kenmerken, vermeld in artikel 18. Ze mogen ook beschouwd worden als vallend onder de toepassing van het tweede lid.

Tweedehands ziekenwagens die door een ziekenwagendienst in dienst worden genomen vanaf het ogenblik van de publicatie van dit besluit moeten uiterlijk vijf jaar na de publicatie van dit besluit voldoen aan de uiterlijke kenmerken, vermeld in artikel 18. Tweedehands ziekenwagens die door een ziekenwagendienst in dienst worden genomen vanaf het ogenblik van de publicatie van dit besluit mogen niet de uiterlijke kenmerken hebben van de ziekenwagens voor de dringende medische hulpverlening, vermeld in het koninklijk besluit van 12 november 2017 houdende vaststelling van de uiterlijke kenmerken van de voertuigen die ingezet worden in de dringende geneeskundige hulpverlening.

Art. 41. Op de tiende dag na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad treden in werking:

1° het decreet van 18 mei 2018 betreffende het niet-dringend liggend ziekenvervoer, met uitzondering van artikel 4, dat in werking treedt vijftien maanden na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad;

2° dit besluit, met uitzondering van - artikel 6, tweede, derde en vijfde lid, dat in werking treedt vijf jaar na bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad;

- artikel 15, dat in werking treedt één jaar na bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad;

- artikel 16, dat in werking treedt zes jaar na bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

Artikel 16 is niet van toepassing als de erkenningsplicht van het paramedisch beroep, vermeld in artikel 1, 11°, van het koninklijk besluit van 2 juli 2009 tot vaststelling van de lijst van paramedische beroepen, vijf jaar na bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, in werking is getreden.

Art. 42. De Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Cookies maken het eenvoudiger voor ons om onze diensten te leveren. Met het gebruik van onze diensten geef je ons toestemming om cookies te gebruiken.