Besluit van de Vlaamse Regering van 28 september 2018 houdende het terugkommoment in het kader van de rijopleiding categorie B

B.S. 14.11.2018

HOOFDSTUK I. — Inleidende bepalingen

Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:

1° algemene verordening gegevensbescherming: de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);

2° beroepsbekwaamheidsbrevet: een brevet als vermeld in artikel 24 van het koninklijk besluit van 11 mei 2004;

3° bestuur: het departement, vermeld in artikel 28, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;

4° decreet van 9 maart 2018: het decreet van 9 maart 2018 houdende het terugkommoment in het kader van de rijopleiding categorie B;

5° deelnemer: de persoon, vermeld in artikel 3 en 4 van het decreet van 9 maart 2018;

6° instelling: de erkende instelling, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 9 maart 2018;

7° koninklijk besluit van 11 mei 2004: het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen;

8° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het verkeersveiligheidsbeleid;

9° onderneming: elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd;

10° opleidingsverstrekker: de instelling die de opleidingen voor de lesgevers van het terugkommoment organiseert.

HOOFDSTUK II. — Het terugkommoment

Art. 2. Het terugkommoment bestaat uit de drie volgende onderdelen, die op dezelfde dag en in de volgende volgorde worden gegeven :

1° de kennismaking en de reflectie als beginnende bestuurder. Dit onderdeel duurt 30 minuten;

2° de praktijkoefeningen op het oefenterrein. Dit onderdeel duurt 120 minuten;

3° het groepsgesprek. Dit onderdeel duurt 90 minuten.

De onderdelen omvatten de leerstof, opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 3. Het terugkommoment kan alleen worden gevolgd bij een instelling die door de minister of zijn gemachtigde erkend is.

Art. 4. De deelnemers hebben alleen voldaan aan de verplichting om het terugkommoment te volgen als ze elk van de drie onderdelen, vermeld in artikel 2, eerste lid, hebben gevolgd.

Deelnemers zijn evenwel vrijgesteld van het onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, als ze aan de instelling het bewijs leveren dat ze alleen een voertuig mogen besturen dat speciaal aan hun handicap is aangepast.

Art. 5. Nadat de deelnemers de drie onderdelen, vermeld in artikel 2, eerste lid, gevolgd hebben, wordt een attest terugkommoment afgeleverd, waarvan het model is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd. De minister kan het model wijzigen.

HOOFDSTUK III. — Termijn waarin het terugkommoment gevolgd moet worden

Art. 6. Iedere deelnemer volgt het terugkommoment op zijn vroegst zes en uiterlijk negen maanden nadat hij het rijbewijs B heeft behaald.

In afwijking van het eerste lid volgen de deelnemers, vermeld in artikel 56, eerste lid, 2°, die hun rijbewijs behaald hebben voor 1 juli 2018, het terugkommoment binnen drie maanden na 1 januari 2019.

De toezichthouder kan uitstel toekennen aan de deelnemer om te voldoen aan de verplichting van het volgen van het terugkommoment binnen de tijdspanne vermeld in het eerste en het tweede lid in de volgende gevallen :

1° wanneer de deelnemer zich om medische redenen in de onmogelijkheid bevindt om het terugkommoment binnen de tijdspanne vermeld in het eerste en het tweede lid te volgen. Dat wordt door een behandelende arts verklaard in een attest waarvan de Minister het model bepaalt;

2° wanneer de deelnemer ten gevolge van een rechterlijke maatregel in een toestand van vrijheidsbeneming verkeert en in de onmogelijkheid is om het terugkommoment binnen de tijdspanne vermeld in het eerste en het tweede lid te volgen. Die toestand wordt door de directie van de inrichting waar de betrokkene zich bevindt, bevestigd in een attest waarvan de Minister het model bepaalt;

3° wanneer de deelnemer om beroeps- of dienstredenen in het buitenland verblijft en zich in de onmogelijkheid bevindt het terugkommoment binnen de tijdspanne vermeld in het eerste en het tweede lid te volgen. Die onmogelijkheid wordt door de militaire of burgerlijke overheid of door de werkgever onder wie de werknemer ressorteert, bevestigd in een attest waarvan de Minister het model bepaalt;

4° wanneer de deelnemer om studieredenen in het buitenland verblijft en zich in de onmogelijkheid bevindt om het terugkommoment binnen de tijdspanne vermeld in het eerste en het tweede lid te volgen. Die onmogelijkheid wordt door de directie van de instelling waar hij studeert, bevestigd in een attest waarvan de Minister het model bepaalt.

De attesten vermeld in het derde lid, 1°, 2°, 3° en 4°, bevatten steeds de datum vanaf wanneer de onmogelijkheid van het volgen van het terugkommoment start en de datum vanaf wanneer deze onmogelijkheid ophoudt.

De deelnemer richt de aanvraag tot uitstel samen met het attest vermeld in het derde lid, 1°, 2°, 3° of 4°, op elektronische wijze of bij een ter post aangetekende brief aan de toezichthouder uiterlijk binnen de termijn dat de deelnemer het terugkommoment overeenkomstig het eerste en het tweede lid moet volgen. De postdatum geldt hierbij als bewijs.

De toezichthouder brengt de beslissing over de aanvraag tot uitstel uiterlijk binnen een maand nadat de deelnemer het terugkommoment moest volgen ter kennis van de aanvrager.

Wanneer uitstel toegekend wordt, vermeldt de toezichthouder de termijn waarbinnen het terugkommoment gevolgd dient te worden. Deze termijn vangt aan vanaf de dag na de datum van ophouden van de onmogelijkheid tot het volgen van het terugkommoment zoals opgenomen in het attest vermeld in het derde lid, 1°, 2°, 3° of 4°, en eindigt uiterlijk drie maanden na deze datum zonder dat de maximumtermijn van artikel 4, eerste lid, van het decreet van 9 maart 2018, wordt overschreden.

HOOFDSTUK IV. — Kostprijs van het terugkommoment

Art. 7. Om het terugkommoment te volgen, betaalt de deelnemer aan de instelling een maximale vergoeding van 100 euro, inclusief de belasting over de toegevoegde waarde.

Als een deelnemer zich aanbiedt om het terugkommoment te volgen nadat de termijn, vermeld in artikel 6, verstreken is, betaalt hij aan de instelling boven op de vergoeding, vermeld in het eerste lid, ook een toeslag van 50 euro, inclusief de belasting over de toegevoegde waarde. De instelling betaalt die toeslag aan het bestuur op de wijze die het bestuur vaststelt.

De bedragen, vermeld in het eerste en tweede lid, worden voorafgaand aan het terugkommoment geïnd.

De bedragen, vermeld in het eerste en tweede lid, zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de gezondheidsindex dat op 31 december 2017 is bereikt. Het bedrag wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan het indexcijfer van de gezondheidsindex dat op 31 december van het voorgaande jaar bereikt is, en wordt tot op de dichtstbijzijnde euro naar beneden afgerond.

HOOFDSTUK V. — Erkenning en subsidiëring van de instellingen

Afdeling 1. — Erkenningsvoorwaarden

Onderafdeling 1. — Voorwaarden voor de lokalen

Art. 8. De lokalen waarin de onderdelen, vermeld in artikel 2, eerste lid, 1° en 3°, plaatsvinden voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° ze omvatten een leslokaal en een sanitaire inrichting;

2° ze bevinden zich niet in een drankgelegenheid, noch in een woonruimte;

3° ze voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 15, § 1, vierde lid, 2° en 3°, van het koninklijk besluit van 11 mei 2004;

4° het leslokaal biedt zitplaatsen aan minstens het aantal personen voor wie een terugkommoment wordt georganiseerd;

5° de burgemeester of de bevoegde brandweerdienst heeft voor de lokalen een attest uitgereikt dat vaststelt dat ze voldoen aan de geldende wettelijke normen inzake brandveiligheid.

Onderafdeling 2. — Voorwaarden voor het oefenterrein

Art. 9. Het oefenterrein is op een veilige en voldoende wijze afgescheiden van de openbare weg of andere plaatsen waar zich personen kunnen bevinden.

Het oefenterrein wordt zo ingericht dat alle aan het terugkommoment vreemde personen er geen toegang toe hebben gedurende het onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°.

Art. 10. Het oefenterrein laat toe om de drie praktijkoefeningen van het onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, op een veilige manier op hetzelfde terrein uit te voeren.

Elke praktijkoefening wordt uitgevoerd in een zone die als volgt wordt ingericht :

1° de zone van de stopoefening : een aanrijstrook van minimum 40 meter x 5 meter, een oefenstrook van minimum 40 meter x 5 meter en een veiligheidsstrook achter de oefenstrook van 15 meter x 5 meter;

2° de zone van de afleidingsoefening : een aanrijstrook van minimum 40 meter x 5 meter, een oefenstrook van minimum 35 meter x 8 meter, een veiligheidsstrook van minimum 10 meter langs beide zijden van de oefenstrook en een veiligheidsstrook achter de oefenstrook van minimum 20 meter x 28 meter;

3° de zone van de slalomoefening met promillebrillen: een oefenstrook van minimum 800 m², met een minimum breedte van 15 meter.

Binnen elke zone, vermeld in het tweede lid, mag er zich slechts één voertuig tegelijkertijd bevinden.

Als de zone van de stopoefening en de zone van de afleidingsoefening, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, naast elkaar liggen, mag er niet tegelijkertijd van de aanrijstrook gebruik worden gemaakt, tenzij er tussen de aanrijstroken van de voormelde zones een minimale veiligheidsafstand is van tien meter breed.

Naast de zone, vermeld in het tweede lid, moet er eveneens een terugrijstrook zijn van minimum drie meter breed voor de stopoefening, vermeld in het tweede lid, 1°, en voor de afleidingsoefening, vermeld in het tweede lid, 2°.

Dezelfde terugrijstrook kan worden gebruikt voor de beide oefeningen.

Art. 11. Het oefenterrein moet een stevige en stabiele bedekking hebben. De staat van het oefenterrein moet de uitvoering van de praktijkoefeningen zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, in alle veiligheid toelaten.

De drie praktijkoefeningen worden uitgevoerd op de volgende ondergrond:

1° de stopoefening: op een droge of een natte ondergrond;

2° de afleidingsoefening: op een natte ondergrond met verminderde wrijvingscoëfficiënt;

3° de slalomoefening met promillebrillen: op een droge of een natte ondergrond.

Het oefenterrein moet vrij zijn van constructies die of materiaal dat ongevallen zou kunnen veroorzaken of de veiligheid en de correcte uitvoering van de oefeningen zou kunnen belemmeren alsook van steenslag en bladeren.

Art. 12. Het oefenterrein beschikt minimaal over de volgende uitrustingen :

1° een brandblusser van minstens 5 kilogram;

2° een absorberend product voor olievlekken;

3° een EHBO-uitrusting met al het noodzakelijke hulpverleningsmateriaal;

4° een goed werkende vaste lichtinstallatie als de praktijkoefeningen, vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, voor zonsopgang of na zonsondergang worden gegeven.

Art. 13. De drie praktijkoefeningen van het onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, mogen enkel gegeven worden op een conform artikel 27, eerste lid, goedgekeurd oefenterrein.

Een instelling mag steeds het goedgekeurde oefenterrein van een andere instelling gebruiken.

Onderafdeling 3. — Voorwaarden voor de voertuigen

Art. 14. Het voertuig dat gebruikt wordt tijdens het onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, moet aan de volgende voorwaarden voldoen :

1° het is minder dan tien jaar oud;

2° het beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 38, § 3, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;

3° het is uitgerust met een combinatie van achteruitkijkspiegels;

4° het heeft aan de beide zijden twee deuren;

5° de achterbank is uitgerust met hoofdsteunen;

6° de dubbele bediening is verwijderd.

Alle materiële en lichamelijke schade die door het voertuig wordt berokkend aan bestuurders, passagiers en derden, is door een verzekeringspolis gedekt.

Art. 15. De instellingen voorzien minstens in één voertuig per drie deelnemers om tijdens het onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, te gebruiken.

Tijdens het onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, mogen er maximaal drie deelnemers in een voertuig plaatsnemen.

Art. 16. De instelling houdt een register bij waarin de gegevens van de voertuigen worden geregistreerd op de wijze die het bestuur bepaalt. Ze houdt afschriften van de inschrijvingsbewijzen, de geldige verzekeringsbewijzen en, van zodra ze onderworpen zijn aan de technische controle, de geldige groene keuringsbewijzen van de voertuigen bij.

Art. 17. Per voertuig moeten er drie promillebrillen van verschillende gradaties beschikbaar zijn voor de uitvoering van de slalomoefening met promillebrillen tijdens het onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°.

Art. 18. Elk voertuig beschikt over een systeem dat tijdens het onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, een onafgebroken, kwalitatieve en wederkerige communicatie tussen de deelnemer en de lesgever garandeert.

Onderafdeling 4. — Voorwaarden voor de inhoud en de organisatie van het terugkommoment

Art. 19. Het terugkommoment kan slechts georganiseerd worden voor groepen van minstens zes en maximaal achttien deelnemers.

Tijdens het onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, is er minstens één lesgever per zes deelnemers.

Art. 20. Het terugkommoment beantwoordt aan het programma en het draaiboek, zoals goedgekeurd conform artikel 27, eerste lid.

Art. 21. De onderdelen, vermeld in artikel 2, eerste lid, 1°, 2° en 3°, kunnen alleen gegeven worden door erkende lesgevers die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 6, afdeling 2 en 4.

De instellingen houden van elke lesgever een afschrift bij van het getuigschrift of de getuigschriften, vermeld in artikel 37, en een bewijs van de erkenning die is afgeleverd conform artikel 42.

Art. 22. Voorafgaand aan elk terugkommoment geven de instellingen de locatie en het tijdstip van elk van de onderdelen, vermeld in artikel 2, eerste lid, 1°, 2° en 3°, door aan het bestuur op de wijze die het bestuur bepaalt.

De instelling laat de inspecteurs die de minister of zijn gemachtigde aanwijst, toe om in elke omstandigheid de lokalen en het oefenterrein te betreden, alle onderdelen van het terugkommoment bij te wonen, vaststellingen te doen, alsook alle documenten te raadplegen en laat hen, zo nodig, toe om met het oog op het onderzoek een kopie hiervan te nemen.

Art. 23. Voor elk georganiseerd terugkommoment registreren de instellingen op de wijze die het bestuur bepaalt minstens de volgende gegevens:

1° de identificatiegegevens van de deelnemers;

2° de begin- en einduren van elk onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 1°, 2° en 3°;

3° de identiteit van de lesgever van elk onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 1°, 2° en 3°;

4° het adres van de lokalen voor de onderdelen, vermeld in artikel 2, eerste lid, 1° en 3°;

5° het adres van het oefenterrein voor het onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°.

Art. 24. Elke instelling gebruikt uitsluitend de gegevensbank die het bestuur ter beschikking stelt en gebruikt die op de wijze die het bestuur bepaalt.

De instellingen voeren de gegevens, vermeld in artikel 22, eerste lid, en 23, in de gegevensbank in. De instellingen zijn verwerkers als vermeld in de algemene verordening gegevensbescherming, en voldoen aan de verplichtingen die in dat verband op hen rusten.

De gegevens worden verzameld en verwerkt voor:

1° de handhaving, vermeld in hoofdstuk 5 van het decreet van 9 maart 2018;

2° de controle vermeld in artikel 32, tweede lid;

3° de controle in het kader van hoofdstuk 7;

4° het gebruik voor statistische doeleinden.

De gegevens worden voor tien jaar in de gegevensbank bijgehouden.

Art. 25. De instellingen en de lesgevers leven de richtlijnen na die zijn opgelegd door de minister of zijn gemachtigde.

Afdeling 2. — Erkenningsprocedure

Art. 26. De instellingen die een erkenning willen verkrijgen, dienen bij het bestuur op elektronische wijze een aanvraag in, waarvan het bestuur het model bepaalt.

Bij de aanvraag worden de volgende documenten gevoegd :

1° het programma en het draaiboek. De inhoud van het programma en het draaiboek moet minstens overeenstemmen met bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd;

2° een schema op schaal en foto’s van de lokalen en het oefenterrein;

3° het attest, vermeld in artikel 8, 5°;

4° een uittreksel uit het Belgisch Staatsblad of elk ander document, waaruit blijkt dat de aanvrager een onderneming is.

De minister of zijn gemachtigde deelt uiterlijk één maand nadat hij de aanvraag heeft ontvangen, aan de instelling mee of de aanvraag al dan niet volledig is.

Als de aanvraag onvolledig is, behandelt de minister of zijn gemachtigde de aanvraag pas nadat hij de ontbrekende informatie heeft ontvangen.

De minister of zijn gemachtigde neemt binnen twee maanden nadat een volledige aanvraag is ingediend, een beslissing om de instelling al dan niet te erkennen.

De minister of zijn gemachtigde kan de termijn waarin hij zijn beslissing moet nemen, verlengen met één maand.

Hij brengt de instelling daarvan op de hoogte.

Als er geen beslissing wordt genomen binnen de opgelegde termijn, geldt het ontbreken van de beslissing als een beslissing van aanvaarding.

Art. 27. De erkenning van een instelling houdt de goedkeuring in van het bij de aanvraag gevoegde programma en draaiboek alsook van de lokalen en het oefenterrein waarvan bij de aanvraag een schema op schaal en foto’s werden gevoegd.

Het bestuur verleent een erkenningsnummer aan elke instelling die wordt erkend.

De erkenning wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Art. 28. De instelling dient een nieuwe aanvraag tot erkenning in bij iedere wijziging ten opzichte van de informatie die conform artikel 26, eerste en tweede lid, is meegedeeld en waarop de erkenning gebaseerd is.

Er moet geen nieuwe aanvraag tot erkenning ingediend worden wanneer een instelling conform artikel 13, tweede lid het goedgekeurde oefenterrein van een andere instelling gebruikt.

Een nieuwe erkenning heeft het verval van de eerdere erkenning tot gevolg.

Afdeling 3. — Behoud van de erkenning

Art. 29. Om erkend te blijven, wordt op elk moment voldaan aan de voorwaarden van dit besluit.

Afdeling 4. — Retributies

Art. 30. Bij de aanvraag tot erkenning is een retributie van 80 euro verschuldigd om de bestuurs-, controle- en toezichtskosten te dekken.

Zolang de erkenning behouden blijft, is een jaarlijkse retributie van 80 euro verschuldigd. De retributie wordt uiterlijk op 31 maart van het betreffende jaar betaald.

Het bestuur int de retributies op de wijze die in het betalingsverzoek bepaald is.

De bedragen van de retributies zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de gezondheidsindex dat op 31 december 2017 is bereikt. De bedragen worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan het indexcijfer van de gezondheidsindex dat op 31 december van het voorgaande jaar bereikt is, en worden tot op de dichtstbijzijnde euro naar beneden afgerond.

Afdeling 5. — Subsidiëring

Art. 31. De instelling kan een subsidie van 20 euro ontvangen per deelnemer die wordt geregistreerd conform artikel 23.

Het bedrag van de subsidie is gekoppeld aan het indexcijfer van de gezondheidsindex dat op 31 december 2017 is bereikt. Het bedrag wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan het indexcijfer van de gezondheidsindex dat op 31 december van het voorgaande jaar bereikt is, en wordt tot op de dichtstbijzijnde euro naar beneden afgerond.

Art. 32. De instelling kan, op de wijze die het bestuur bepaalt, op de eerste werkdag van elke maand een aanvraag indienen om de subsidie te ontvangen.

Na controle door het bestuur en op voorwaarde dat voldaan is aan de voorwaarden van dit besluit, ontvangt de instelling de subsidie van het bestuur.

HOOFDSTUK VI. — Erkenning van de lesgevers van het terugkommoment

Afdeling 1. — Verplichte opleiding als lesgever

Art. 33. Elke lesgever die een onderdeel van het terugkommoment als vermeld in artikel 2, eerste lid, 1°, 2° of 3°, wil geven, volgt een basisopleiding van zeven uur.

Art. 34. De lesgever van de onderdelen, vermeld in artikel 2, eerste lid, 1° en 3°, volgt een bijkomende opleiding van veertien uur bovenop de basisopleiding, vermeld in artikel 33.

De lesgever van het onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, volgt een bijkomende opleiding van zeven uur bovenop de basisopleiding, vermeld in artikel 33.

Art. 35. De opleidingen van de lesgevers worden georganiseerd door organisaties van nationale en internationale experten.

Art. 36. De inhoud van het programma en het draaiboek van de basisopleiding, vermeld in artikel 33, moet minstens overeenstemmen met bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.

De inhoud van het programma en het draaiboek van de bijkomende opleiding, vermeld in artikel 34, moet minstens overeenstemmen met bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.

De opleidingen, vermeld in artikel 33 en 34, mogen niet worden aangeboden zonder dat het bestuur het programma en het draaiboek van elke opleiding voorafgaandelijk heeft goedgekeurd. Die goedkeuring is geldig voor een jaar.

De opleidingsverstrekker bezorgt voor de goedkeuring, vermeld in het derde lid, elk jaar een uitgewerkt programma en draaiboek van elke opleiding, alsook een overzicht van de geplande opleidingsmomenten voor het komende jaar aan het bestuur. Hij doet dat minimaal een maand voor de aanvang van de opleidingen of, als een programma en draaiboek al eerder zijn goedgekeurd, minstens een maand voor de goedkeuring afloopt.

Art. 37. Na afloop van de basisopleiding, vermeld in artikel 33, reikt de opleidingsverstrekker een getuigschrift uit aan de lesgever, waarvan het model is opgenomen in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd.

Na afloop van de bijkomende opleiding, vermeld in artikel 34, reikt de opleidingsverstrekker een getuigschrift uit aan de lesgever, waarvan het model is opgenomen in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd.

De minister kan de modellen wijzigen.

Art. 38. In het jaar waarin de lesgever die houder is van een beroepsbekwaamheidsbrevet het getuigschrift, vermeld in artikel 37, eerste lid behaalt, wordt de minimumduur van de opleiding, vermeld in artikel 14, § 1, van het koninklijk besluit van 11 mei 2004, verminderd met de duurtijd van de opleiding, vermeld in artikel 33.

In het jaar waarin de lesgever die houder is van een beroepsbekwaamheidsbrevet het getuigschrift, vermeld in artikel 37, tweede lid, behaalt, wordt de minimumduur van de opleiding, vermeld in artikel 14, § 1, van het koninklijk besluit van 11 mei 2004, verminderd met de duurtijd van de opleiding, vermeld in artikel 34.

Afdeling 2. — Erkenningsvoorwaarden

Art. 39. Elke lesgever voldoet aan de volgende voorwaarden :

1° niet bij een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing veroordeeld zijn :

a) voor een inbreuk als vermeld in boek II, titel III, titel VII, hoofdstuk V en VI, titel VIII, hoofdstuk I, en titel IX, hoofdstuk I en II, van het Strafwetboek;

b) voor een inbreuk als vermeld in artikel 30, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 37bis, 47, 48 of 49 van de op 16 maart 1968 gecoördineerde wet betreffende de politie op het wegverkeer;

c) wegens een inbreuk op de bepalingen van het koninklijk besluit van 11 mei 2004;

2° niet vervallen zijn of vervallen geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen. Dat verbod is evenwel niet van toepassing bij uitwissing van de veroordeling of bij herstel in eer en rechten, op voorwaarde dat voldaan is aan de onderzoeken die de rechter kan opleggen met toepassing van artikel 38 van de op 16 maart 1968 gecoördineerde wet betreffende de politie over het wegverkeer;

3° gedurende ten minste drie jaar houder zijn van een rijbewijs dat is afgegeven door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en dat ten minste geldig is om voertuigen van categorie B of van een evenwaardige categorie te besturen;

4° geen functie of betrekking uitoefenen in een erkend orgaan voor technische controle van motorvoertuigen of een controlefunctie als vermeld in artikel 39 van het koninklijk besluit van 11 mei 2004;

5° laat de inspecteurs die de minister of zijn gemachtigde aanwijst, toe om in elke omstandigheid de door hem gegeven onderdelen, vermeld in artikel 2, eerste lid, 1°, 2° en 3°, bij te wonen, vaststellingen te doen, alsook alle documenten te raadplegen en laat hen, zo nodig, toe om met het oog op het onderzoek hiervan een kopie te nemen.

Art. 40. De lesgever van het onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, moet naast de voorwaarden, vermeld in artikel 39, voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° houder zijn van het beroepsbekwaamheidsbrevet II. De vereiste om houder te zijn van het beroepsbekwaamheidsbrevet II vervalt indien de kandidaat-lesgever aan het bestuur kan aantonen dat hij beschikt over een relevante beroepservaring van minimum 3 jaar in het geven van praktijklessen aan bestuurders van voertuigen van categorie B;

2° houder zijn van een getuigschrift als vermeld in artikel 37, eerste lid;

3° houder zijn van een getuigschrift als vermeld in artikel 37, tweede lid, waaruit blijkt dat de bijkomende opleiding als vermeld in artikel 34, tweede lid, is gevolgd.

Art. 41. De lesgever van het onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 1° en 3°, moet naast de voorwaarden, vermeld in artikel 39, voldoen aan al de volgende voorwaarden :

1° houder zijn van het beroepsbekwaamheidsbrevet II of III of houder zijn van een pedagogisch diploma. De volgende diploma’s worden aanvaard als een pedagogisch diploma : een diploma bachelor of master in de psychologische wetenschappen, bachelor of master in de pedagogische wetenschappen, bachelor of master in de criminologische wetenschappen, bachelor in het sociaal werk of een pedagogisch bekwaamheidsbewijs. De vereiste om houder te zijn van het beroepsbekwaamheidsbrevet II of III of van een pedagogisch diploma vervalt indien de kandidaat-lesgever aan het bestuur kan aantonen dat hij beschikt over een relevante beroepservaring van minimum 3 jaar in het geven van interactieve theorielessen aan groepen van personen of het begeleiden van groepsgesprekken met telkens mobiliteit of verkeersveiligheid als centraal thema;

2° houder zijn van een getuigschrift als vermeld in artikel 37, eerste lid;

3° houder zijn van een getuigschrift als vermeld in artikel 37, tweede lid, waaruit blijkt dat de bijkomende opleiding als vermeld in artikel 34, eerste lid, is gevolgd.

Afdeling 3. — Erkenningsprocedure

Art. 42. De lesgever die een erkenning wil verkrijgen, dient bij het bestuur op elektronische wijze een aanvraag in, waarvan het bestuur het model bepaalt.

De lesgever van het onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, voegt bij de aanvraag de documenten waaruit blijkt dat de voorwaarden, vermeld in artikel 39, 1°, 2° en 3°, en artikel 40, vervuld zijn.

De lesgever van het onderdeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 1° en 3°, voegt bij de aanvraag de documenten waaruit blijkt dat de voorwaarden, vermeld in artikel 39, 1°, 2° en 3°, en artikel 41, vervuld zijn.

De minister of zijn gemachtigde deelt uiterlijk één maand nadat hij de aanvraag heeft ontvangen, aan de lesgever mee of de aanvraag al dan niet volledig is.

Als de aanvraag onvolledig is, behandelt de minister of zijn gemachtigde de aanvraag pas nadat hij de ontbrekende informatie heeft ontvangen.

De minister of zijn gemachtigde neemt binnen twee maanden nadat een volledige aanvraag is ingediend, een beslissing om de lesgever al dan niet te erkennen.

De minister of zijn gemachtigde kan de termijn waarin hij zijn beslissing moet nemen, verlengen met één maand.

Hij brengt de lesgever daarvan op de hoogte.

Als er geen beslissing wordt genomen binnen de opgelegde termijn, geldt het ontbreken van de beslissing als een beslissing van aanvaarding.

Bij een beslissing tot erkenning levert de minister of zijn gemachtigde een bewijs van de erkenning af.

Afdeling 4. — Behoud van de erkenning

Art. 43. De lesgever die houder is van het beroepsbekwaamheidsbrevet moet om zijn erkenning te behouden blijvend voldoen aan de voorwaarden van dit besluit en aan de voorwaarden, vermeld in artikel 14, § 1 van het koninklijk besluit van 11 mei 2004.

De lesgever die conform artikel 40, 1°, en 41, 1°, de vereiste relevante beroepservaring bezit of die conform artikel 41, 1°, houder is van een pedagogisch diploma moet om zijn erkenning te behouden blijvend voldoen aan de voorwaarden van dit besluit en binnen elke periode van drie jaar vanaf de erkenning een vorming van twaalf uur volgen over het onderwerp, vermeld in artikel 14, § 2, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit van 11 mei 2004.

Afdeling 5. — Retributies

Art. 44. Bij de aanvraag tot erkenning is een retributie van 80 euro verschuldigd om de bestuurs-, controle- en toezichtskosten te dekken.

Het bestuur int de retributie op de wijze die in het betalingsverzoek bepaald is.

Het bedrag van de retributie is gekoppeld aan het indexcijfer van de gezondheidsindex dat op 31 december 2017 is bereikt. Het bedrag wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan het indexcijfer van de gezondheidsindex dat op 31 december van het voorgaande jaar bereikt is, en wordt tot op de dichtstbijzijnde euro naar beneden afgerond.

HOOFDSTUK VII. — Controle

Art. 45. De minister of zijn gemachtigde controleert de goede werking van de instelling en van de lesgevers.

Art. 46. De instelling en de lesgevers geven op verzoek van de minister of zijn gemachtigde alle inlichtingen over de toepassing van dit besluit.

Art. 47. De inspecteurs die de minister of zijn gemachtigde aanwijst, vermeld in artikel 22, tweede lid, en artikel 39, 5°, zijn verplicht tot geheimhouding.

HOOFDSTUK VIII. — Sancties

Afdeling 1. — Sancties ten aanzien van de instellingen

Art. 48. Als de voorwaarden, vermeld in dit besluit niet worden nageleefd, kan de minister of zijn gemachtigde, nadat het bestuur de zaakvoerder van de instelling gehoord heeft, de erkenning van de instelling voor minstens acht dagen en hoogstens zes maanden schorsen.

Als de minister of zijn gemachtigde ondanks een voorafgaande schorsingsmaatregel vaststelt dat de voorwaarden, vermeld in dit besluit nog altijd niet worden nageleefd, kan hij de erkenning van de instelling intrekken nadat het bestuur de zaakvoerder van de instelling gehoord heeft.

Na de hoorzitting, ongeacht of die is bijgewoond, neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing tot schorsing of intrekking van de erkenning.

Gedurende de schorsingsperiode of na de intrekkingsbeslissing mag de instelling geen enkel terugkommoment organiseren.

De schorsing en de intrekking van de erkenning worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Art. 49. De minister of zijn gemachtigde trekt in geval van definitieve stopzetting van de ondernemingsactiviteiten de erkenning van de instelling in.

De intrekking van de erkenning wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Art. 50. Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in dit besluit kan het bestuur weigeren om de subsidie, vermeld in artikel 31, te betalen aan de instelling.

Afdeling 2. — Sancties ten aanzien van de lesgevers

Art. 51. Als de voorwaarden, vermeld in dit besluit, niet worden nageleefd, kan de minister of zijn gemachtigde, nadat het bestuur de lesgever gehoord heeft, de erkenning van de lesgever voor minstens acht dagen en hoogstens zes maanden schorsen.

Als de minister of zijn gemachtigde ondanks een voorafgaande schorsingsmaatregel vaststelt dat de voorwaarden, vermeld in dit besluit nog altijd niet worden nageleefd, kan hij de erkenning van de lesgever intrekken nadat het bestuur de lesgever gehoord heeft.

Na de hoorzitting, ongeacht of die is bijgewoond, neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing tot schorsing of intrekking van de erkenning.

Gedurende de schorsingsperiode of na de intrekkingsbeslissing mag de lesgever geen enkel onderdeel van het terugkommoment geven.

Art. 52. De minister of zijn gemachtigde kan met onmiddellijke ingang de erkenning schorsen van een lesgever die het voorwerp vormt van een gerechtelijk onderzoek of van een strafvordering wegens het niet-naleven van de voorwaarden, vermeld in artikel 39, 1°, a) en b).

Binnen vijftien dagen na de maatregel van onmiddellijke schorsing wordt de intrekkings- of schorsingsprocedure, vermeld in artikel 51, aangevat. Bij gebrek daaraan houdt de schorsing van rechtswege op.

Art. 53. De minister of zijn gemachtigde kan de lesgever die in zijn omgang met de deelnemers, zijn kennis van de materie of zijn didactische vaardigheden ernstig tekortschiet, verplichten een specifieke bijscholing te volgen, nadat het bestuur de lesgever gehoord heeft.

Na de hoorzitting, ongeacht of die is bijgewoond, kan de minister of zijn gemachtigde de verplichting opleggen om een specifieke bijscholing te volgen.

HOOFDSTUK IX. — Handhaving van het terugkommoment

Art. 54. De personeelsleden van niveau A, B en C van de cel Rijopleiding en Vakbekwaamheid van de afdeling Vlaams Huis voor de Verkeersveiligheid van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken treden op als toezichthouders als vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, van het decreet van 9 maart 2018.

Art. 55. Het afdelingshoofd van de afdeling Vlaams Huis voor de Verkeersveiligheid van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken treedt op als handhavingsinstantie als vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, van het decreet van 9 maart 2018.

HOOFDSTUK X. — Toepassingsgebied in de tijd

Art. 56. De verplichting om het terugkommoment te volgen, is van toepassing op:

1° de personen die vanaf 1 oktober 2017 een aanvraag hebben ingediend bij een Vlaamse gemeente om een voorlopig rijbewijs te verkrijgen;

2° de personen die vanaf 1 oktober 2017 een nieuw voorlopig rijbewijs hebben aangevraagd bij een Vlaamse gemeente met toepassing van artikel 5/1, § 2, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B.

In afwijking van het eerste lid zijn de personen die vanaf 1 oktober 2017 een nieuw voorlopig rijbewijs hebben aangevraagd met toepassing van artikel 50, § 3, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, als ze hun aanvankelijke voorlopige rijbewijs hebben aangevraagd vóór 1 oktober 2017, vrijgesteld van de verplichting om het terugkommoment te volgen.

HOOFDSTUK XI. — Slotbepalingen

Art. 57. Hoofdstuk I tot en met 4, hoofdstuk V, afdeling 3 en 5, hoofdstuk VI, afdeling 4, en hoofdstuk VII tot en met X van dit besluit treden in werking op 1 januari 2019.

"Hoofdstuk I tot en met 4" dient gelezen te worden als "Hoofdstuk I tot en met IV".

Art. 58. De Vlaamse minister, bevoegd voor het verkeersveiligheidsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.