Besluit van de Waalse Regering van 6 juli 2017 betreffende de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die in België of in het buitenland ingeschreven zijn

B.S. 18.09.2017

HOOFDSTUK I. — Inleidende bepalingen en begripsomschrijvingen

Artikel 1. Bij dit besluit wordt Richtlijn 2014/47/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die in de Unie aan het verkeer deelnemen en tot intrekking van Richtlijn 2000/30/EG omgezet.

Art. 2. In de zin van dit besluit wordt verstaan onder :

1° voertuig : elk motorvoertuig dat niet op rails wordt voortbewogen of een aanhangwagen daarvan;

2° motorvoertuig : een door een motor aangedreven voertuig op wielen dat zich op eigen kracht voortbeweegt met een door het ontwerp bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km/h;

3° aanhangwagen : een voertuig zonder aandrijving op wielen dat is ontworpen en gebouwd om getrokken te worden door een motorvoertuig;

4° oplegger : een voertuig dat is bestemd om aan een motorvoertuig te worden gekoppeld op zodanige wijze dat een deel ervan op het motorvoertuig rust en dat een aanzienlijk deel van het gewicht van de oplegger en van zijn lading door het motorvoertuig wordt gedragen;

5° lading : alle goederen die normaliter in of op dat deel van een voertuig worden geplaatst dat bedoeld is om vracht te dragen en die niet permanent aan het voertuig worden bevestigd, met inbegrip van voorwerpen in lastdragers zoals kratten, wissellaadbakken of containers op voertuigen;

6° bedrijfsvoertuig : een motorvoertuig en aanhangwagen of oplegger daarvan die in de eerste plaats worden gebruikt voor het vervoer van goederen of personen voor commerciële doeleinden, zoals het vervoer voor rekening van derden of voor eigen rekening, of andere beroepsmatige doeleinden;

7° in een lidstaat ingeschreven voertuig: een voertuig dat in een lidstaat is ingeschreven of in gebruik is genomen;

8° houder van een kentekenbewijs : de natuurlijke persoon of rechtspersoon op wiens naam het voertuig is ingeschreven;

9° onderneming : een onderneming volgens de definitie van artikel 2, punt 4, van Verordening (EG) nr. 1071/2009;

10° technische controle langs de weg: een door de bevoegde overheden of onder haar directe toezicht uitgevoerde onaangekondigde technische controle van een bedrijfsvoertuig;

11° technische controle: een controle overeenkomstig artikel 3, 9), van Richtlijn 2014/45/UE/45/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 3 april 2014 betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens en tot intrekking van Richtlijn 2009/40/EG;

12° technisch certificaat: een rapport van de technische controle dat krachtens artikel 1, § 2, 20°, van het technisch reglement of door de bevoegde instantie van een Lid-Staat is afgegeven, met de uitslag van de technische controle;

13° bevoegde instantie : een door een lidstaat aangewezen instantie die, respectievelijk publiek orgaan dat, belast is met het beheer van het systeem van technische controles, indien van toepassing met inbegrip van het verrichten van dergelijke technische controles;

14° controleur : een controle-beambte, belast met een mandaat van de gerechtelijke politie die lid is van het operationeel kader van de federale of lokale politie of van de domaniale politie en die behoorlijk gevormd is via een door die instanties erkende opleiding;

15° inspecteur van de technische controle: iedere persoon bedoeld in artikel 14 van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen;

16° gebreken : technische defecten of andere incidenten van niet-naleving die tijdens een technische controle langs de weg worden vastgesteld;

17° gezamenlijke technische controle langs de weg: een door de bevoegde instanties van twee of meer lidstaten gezamenlijk uitgevoerde technische controle langs de weg ;

18° mobiele contrôle-eenheid : een vervoerbaar systeem van controleapparatuur die nodig is voor het uitvoeren van meer gedetailleerde technische controles langs de wegen die bemand wordt door controleurs die bevoegd zijn om nadere controles langs de weg te verrichten;

19° aangewezen faciliteit voor controles langs de weg : een vast gebied voor het verrichten van initiële of nadere technische controles langs de weg, dat ook uitgerust kan zijn voor blijvend geïnstalleerde controleapparatuur;

20° Richtlijn : Richtlijn 2014/47/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die in de Unie aan het verkeer deelnemen en tot intrekking van Richtlijn 2000/30/EG;

21° contactpunt : contactpunt aangewezen krachtens artikel 17 van de Richtlijn ;

22° domaniale politie : de domaniale politieagenten bedoeld in artikel 6, § 1, van het decreet van 19 maart 2009 betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein;

23° technisch reglement: koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen ;

24° bevestigingssysteem : element dat specifiek ontworpen en ontwikkeld is om een lading vast te maken, op zijn plaats te houden of te bevestigen, met inbegrip van de structurele elementen van het voertuig;

25° geïntegreerd vergrendelingssysteem : systeem dat ontworpen en gebruikt wordt om een lading vast te maken door de punten waar de lading is vastgemaakt te binden aan de ankerpunten van het voertuig en ze te vergrendelen;

26° nominale maximumbelasting : maximumbelasting waaraan een element van het zekeringssysteem van de lading onder normale gebruiksvoorwaarden blootgesteld mag worden;

27° ankerpunt : onderdeel van de structuur, het materieel of het element van een voertuig of van een lading waaraan het bevestigingssysteem is vastgemaakt;

28° ladingszekeringssysteem; uitrusting of combinatie van uitrustingen die gebruikt wordt om een lading vast te maken of te bevestigen, daaronder inbegrepen de ladingsbevestigingssystemen en alle samenstellende onderdelen;

29° primaire verpakking : eerste verpakkingslaag die rond om de handelsgoederen gewikkeld is.

HOOFDSTUK II. — Toepassingsgebied

Art. 3. De technische controles langs de weg, bedoeld in dit besluit, hebben betrekking op :

1° motorvoertuigen die in eerste instantie voor het vervoer van personen en hun bagage zijn ontworpen en gebouwd en waarvan het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, meer dan acht bedraagt — voertuigcategorieën M2 en M3;

2° motorvoertuigen die in eerste instantie voor het vervoer van goederen zijn ontworpen en gebouwd — voertuigcategorieën N2 en N3;

3° aanhangwagens die voor het vervoer van goederen of personen, en als onderkomen voor personen, zijn ontworpen en zijn gebouwd en waarvan de maximummassa meer dan 3,5 ton bedraagt — voertuigcategorieën O3 en O4;

4° motorvoertuigen die in eerste instantie voor het vervoer van goederen zijn ontworpen en gebouwd — voertuigcategorieën N1;

5° tractoren voor land- en bosbouwdoeleinden met een door het ontwerp bepaalde maximumsnelheid van meer dan 40 km/h — voertuigcategorie T.

HOOFDSTUK III. — Bevoegdheden en controlemethodes

Afdeling 1. — Controleurs

Art. 4. § 1. De controleurs zijn belast met de uitvoering, in samenwerking met de inspecteurs van de technische controle, van de technische controles langs de weg van de in België of in het buitenland ingeschreven bedrijfsvoertuigen.

De nadere technische controle wordt uitgevoerd door een inspecteur van de technische contrôle.

§ 2. De controleurs onthouden zich van elke vorm van discriminatie op grond van de nationaliteit van de bestuurder of het land van inschrijving of ingebruikneming van het voertuig bij de selectie van het voertuig voor een technische controle langs de weg en de uitvoering van de controle.

De controleur dient vrij te zijn van elk belangenconflict dat van invloed zou kunnen zijn op de onpartijdigheid en objectiviteit van zijn besluit. De beloning van controleurs mag niet rechtstreeks worden gekoppeld aan het resultaat van de initiële of nadere technische controle langs de weg.

De technische controles langs de weg worden zo uitgevoerd dat de kosten en het oponthoud van de bestuurders en de ondernemingen zo beperkt mogelijk blijven.

§ 3. De bouwvoorschriften en de voorwaarden waaraan de apparatuur en de controletoestellen moeten voldoen, worden goedgekeurd door de Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid of diens gemachtigde.

De bouwvoorschriften en de controletoestellen worden minstens één keer per jaar gekeurd door een controle-instelling aangewezen door de Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid of diens gemachtigde.

Afdeling 2. — Voorselectie van de voertuigen in functie van de risicoclassificatie

Art. 5. Voor voertuigen bedoeld in artikel 3, 1° tot 3°, wordt de informatie over het aantal en de ernst van de gebreken omschreven in bijlage 1 en, in voorkomend geval, in bijlage 2 en aangetroffen op door ondernemingen geëxploiteerde voertuigen ingevoerd in het krachtens artikel 8 van het koninklijk besluit van 8 mei 2007 houdende omzetting van Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van Richtlijn 88/599/EEG van de Raad opgezette risicoclassificatiesysteem. Voor de toekenning van een risicoprofiel aan een onderneming kan gebruik worden gemaakt van de in bijlage 3 genoemde criteria.

Op basis van deze informatie worden ondernemingen met een hoge risicoscore nauwlettender en vaker gecontroleerd.

Bij het selecteren van voertuigen voor een initiële technische controle langs de weg mogen controleurs prioriteit geven aan voertuigen die worden geëxploiteerd door ondernemingen met een hoog risicoprofiel. Voertuigen mogen ook willekeurig voor controle worden geselecteerd, of wanneer er een vermoeden bestaat dat het voertuig een risico voor de verkeersveiligheid of het milieu vormt.

Met het oog op de toepassing van lid 1 wordt gebruik gemaakt van de krachtens artikel 18, § 1, van de Richtlijn van de andere lidstaten verkregen informatie.

Afdeling 3. — Controlemethode

Onderafdeling 1. — Initiële technische controle langs de weg

Art. 6. § 1. De geselecteerde voertuigen worden onderworpen aan een initiële technische controle langs de weg.

Elke initiële technische controle langs de weg bestaat uit:

1° de controle van het meest recente technisch certificaat en, in voorkomend geval, het verslag van de technische controle langs de weg die in het voertuig worden bewaard;

2° een visuele controle uit van de technische toestand van het voertuig.

Wat 1° betreft, wordt nagegaan of enig gebrek dat in het voorgaande verslag van technische controle langs de weg genoteerd werd, verholpen is.

§ 2. Elke initiële technische controle langs de weg kan bestaan uit:

1° een visuele controle van de wijze waarop de lading is vastgezet, overeenkomstig artikel 9;

2° de uitvoering van technische controles met iedere daarvoor geschikt geachte methode.

Betreffende 2° kunnen deze technische controles worden verricht als onderbouwing van een besluit om op het voertuig een nadere technische controle langs de weg uit te voeren, of om te verlangen dat de gebreken onverwijld worden hersteld overeenkomstig artikel 11, § 1.

§ 3. Op basis van het resultaat van de initiële controle besluit de controleur of het voertuig of de aanhangwagen daarvan onderworpen wordt aan een nadere technische controle langs de weg.

Een nadere technische controle langs de weg heeft betrekking op punten van de lijst van bijlage 1 die noodzakelijk en relevant worden geacht, waarbij net name rekening wordt gehouden met de veiligheid van remmen, banden, wielen en chassis en met overlastfactoren, alsook de aanbevolen methoden voor het controleren van deze punten.

Wanneer blijkens het technisch certificaat of het verslag van een technische controle langs de weg in de loop van de afgelopen drie maanden reeds een controle is verricht van een van de in bijlage 1 vermelde punten, wordt de controleur dit punt niet opnieuw gecontroleerd, tenzij een nieuwe controle gerechtvaardigd is wegens een kennelijk gebrek dat visueel wordt vastgesteld of wanneer de algemene staat van het voertuig laat vermoeden dat het voertuig niet voldoet aan de toepasselijke voorschriften.

Onderafdeling 2. — Nadere technische controle langs de weg

Art. 7. Een nadere technische controle langs de weg wordt verricht met behulp van een mobiele controle-eenheid, een aangewezen faciliteit voor controles langs de weg, aangewezen door de Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid, of in een keuringscentrum erkend krachtens het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.

Wanneer de nadere technische controles in een keuringscentrum of een aangewezen faciliteit voor controles langs de weg moeten worden uitgevoerd, moeten zij zo spoedig mogelijk in een van de dichtstbijzijnde bruikbare centra of faciliteiten worden verricht.

Mobiele controle-eenheden en aangewezen faciliteiten voor controles langs de weg omvatten passende apparatuur voor een nadere technische controle langs de weg, waaronder de apparatuur die nodig is om de toestand van de remmen en de bedrijfszekerheid van de remsystemen, de stuurinrichting, de ophanging en de overlast van het voertuig te beoordelen zoals vereist. Wanneer mobiele controle-eenheden of aangewezen faciliteiten voor controles langs de weg niet de apparatuur omvatten die nodig is voor het controleren op een punt dat tijdens de initiële controle is aangegeven, wordt het voertuig naar een keuringscentrum of -faciliteit geleid waar dat punt uitvoerig kan worden gecontroleerd.

Onderafdeling 3. — Beoordeling van gebreken

Art. 8. Voor elk te controleren punt biedt bijlage 1 een lijst van mogelijke gebreken en de ernst daarvan.

De vastgestelde gebreken worden ingedeeld in een van de volgende groepen:

1° kleine gebreken die geen belangrijke gevolgen hebben voor de veiligheid van het voertuig of geen gevolgen voor het milieu, en andere kleine vormen van niet-naleving;

2° grote gebreken die de veiligheid van het voertuig in gevaar brengen of gevolgen hebben voor het milieu, of andere weggebruikers in gevaar brengen en andere belangrijke gevallen van niet-naleving;

3° gevaarlijke gebreken die een direct en onmiddellijk gevaar vormen voor de verkeersveiligheid of gevolgen hebben voor het milieu.

Een voertuig dat gebreken vertoont die in meer dan één van de groepen van gebreken vallen, wordt ingedeeld in de groep die behoort bij het ernstiger gebrek. Een voertuig met verscheidene gebreken binnen hetzelfde controlegebied als bepaald in het toepassingsgebied van de technische controle langs de weg als bedoeld bijlage I, punt 1, kan worden ingedeeld in de daaropvolgende groep van ernstigere gebreken indien het gecombineerde effect van die gebreken geacht wordt in een hoger risico voor de verkeersveiligheid te resulteren.

Onderafdeling 4. — Controle van de wijze waarop lading is vastgezet

Art. 9. § 1. Tijdens een controle langs de weg kan een voertuig zoals bedoeld in artikel 3 worden onderworpen aan een controle van de wijze waarop lading ervan is vastgezet overeenkomstig bijlage 2, teneinde na te gaan of de lading zodanig is vastgezet dat hij niet belemmert dat de rit veilig verloopt, geen bedreiging is voor het leven, de gezondheid, eigendommen of het milieu.

§ 2. Onverminderd de vereisten die gelden voor het vervoer van bepaalde categorieën goederen, zoals de vereisten van de Europese Overeenkomst betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR), kunnen het vastzetten van de lading en de controle daarop gebeuren overeenkomstig de bepalingen bedoeld in paragraaf 3 en volgende.

§ 3. De bestuurder moet :

1° een visuele controle verrichten om zich ervan te vergewissen dat achterste laaddeuren, opbergbare laadklep, deuren, zeilen, reservewiel en andere uitrustingen voor het gebruik van het voertuig vastgemaakt zijn;

2° zich ervan vergewissen dat de lading geen hinder vormt om in alle veiligheid het voertuig te besturen;

3° zich ervan vergewissen dat het zwaartepunt voor zover mogelijk in het middelpunt op het voertuig ligt.

§ 4. Als de primaire verpakking van een goed niet stevig genoeg is voor een veilig goederenvervoer, moet de verantwoordelijke voor die verpakking en/of de belader dan in een aanvullende omwikkeling voorzien zodat de lading door een verpakking die stevig genoeg is op behoorlijke wijze veilig wordt gemaakt.

De belader moet vooraf en schriftelijk de vervoerder met wie hij werkt alle informatie mededelen die de vervoerder nodig acht om de handelsgoederen vast te zetten.

Deze informatie bevat minstens :

1° de massa en elke eenheid van de lading;

2° de ligging van het zwaartepunt van elke ladingseenheid als dit niet in het middelpunt gelegen is;

3° de buitenafmetingen van elke ladingseenheid ;

4° de beperkingen in het opstapelen en de richting die toegepast dienen te worden ;

5° de wrijvingscoëfficiënt van de handelsgoederen ten opzichte van het ladingsplan voor zover dit niet gekend is in bijlage B van Europese norm 12195/2010 en/of de bijlage van de IMO/UNECE/ILO-normen ;

6° elke aanvullende informatie die voor een correcte beveiliging vereist is.

§ 5. De vastgezette lading moet volgende krachten weerstaan, voortvloeiend uit het versnellen/vertragen van het voertuig:

1° in de rijrichting, 0,8 maal het gewicht van de lading ;

2° in zijdelingse richting, 0,5 maal het gewicht van de lading ;

3° tegen de rijrichting in, 0,5 maal het gewicht van de lading ;

4° tegen het verplaatsen van de lading op het voertuig in de andere richtingen, 0,2 maal het gewicht van de lading.

Over het algemeen moet hij voorkomen dat de lading in elkeen van deze richtingen omvalt of kantelt. De ladingen mogen slechts minimaal ten opzichte van elkaar, tegen wanden of over oppervlakken van het voertuig verschuiven en de ladingen mogen niet buiten de laadruimte komen en niet van de laadvloer schuiven.

Voor een lading die overeenkomstig de bepalingen van “Europese richtlijnen voor beste praktijken over het zekeren van lading voor wegtransport” , opgesteld onder toezicht van de Europese Commissie, omsloten, vastgemaakt of vastgezet is geldt dat, voor zover laatstgenoemden niet in tegenspraak zijn met de bepalingen vervat in de normen bedoeld in paragraaf 9, het ladingszekeringssysteem aan de vereisten van deze paragraaf voldoet.

§ 6. Wanneer een bestanddeel van het ladingszekeringssysteem aan een kracht blootgesteld wordt zoals omschreven in paragraaf 5, mag de drukkracht die dit bestanddeel ondergaat de nominale maximumbelasting ervan niet te boven gaan.

§ 7. De bestanddelen van het ladingszekeringssysteem :

1° moeten correct functioneren ;

2° moeten aan het gebruik dat ervan gemaakt wordt, aangepast zijn ;

3° mogen geen knopen, beschadigde of verzwakte bestanddelen bevatten die hun werking kan aantasten op vlak van ladingsveiligheid;

4° mogen geen scheuren, sneden of uitrafelingen vertonen ;

5° moeten conform de hiervoor geldende Europese en/of internationale productnormen, bedoeld in paragraaf 9, zijn.

Het ladingzekeringssysteem dat wordt gebruikt om een lading in of op een voertuig te omsluiten, vast te zetten of tegen te houden, moet geschikt zijn voor de afmetingen, de vorm, de stevigheid en de kenmerken van de lading.

Het ladingzekerheidssysteem kan opgebouwd zijn uit enkelvoudige of gecombineerde toepassing van ladingzekerheidssystemen.

Voor het vastmaken van de lading moet gebruik worden gemaakt van één of meerdere onderstaande zekerheidsmethodes:

1° opsluiten ;

2° vergrendelen (plaatselijk, overal) ;

3° direct vastzetten ;

4° neersjorren.

§ 8. Het bevestigings- of het geïntegreerde vergrendelingssysteem dat gebruikt wordt om een lading vast te maken moet zelf zodanig beveiligd zijn dat het niet ontgrendeld of losgemaakt kan worden.

Het bevestigings- of het geïntegreerde vergrendelingssysteem dat gebruikt wordt om een lading op of in het voertuig vast te maken moet:

1° ontworpen en ontwikkeld zijn voor het doel waarvoor het gebruikt wordt ; en

2° gebruikt en onderhouden worden overeenkomstig de specificaties van de constructeur en de geldende Europese en/of internationale normen.

§ 9. De beveiliging en de beveiligingsnormen stemmen overeen met de meest recente versie van onderstaande normen:

Norm Onderwerp
EN 12195-1 Berekening van de sjorkrachten
EN 12640 Sjorpunten
EN 12642 Sterkte van de structuur van de laadvloer van het voertuig
EN 12195-2 Sjorbanden gemaakt van kunstvezels
EN 12195-3 Sjorkettingen
EN 12195-4 Sjorstaalkabels
ISO 1161, ISO 1496 ISO-containers
EN 283 Wissellaadbakken
EN 12641 Dekzeilen
EUMOS 40511 Palen - Rongen
EUMOS 40509 Vervoer – verpakking

§ 10. De opvolgingsprocedures bedoeld in artikel 11 kunnen toegepast worden bij ernstige of gevaarlijke gebreken bij het vastzetten van de lading.

Onderafdeling 5. — Controleverslag en databanken over technische controles langs de weg

Art. 10. § 1. Voor iedere initiële technische controle langs de weg wordt onderstaande informatie ingezameld :

1° het land waar het voertuig ingeschreven is ;

2° de categorie waartoe het voertuig behoort ;

3° het resultaat van de technische controle langs de weg.

§ 2. Na voltooiing van een nadere controle stelt de technisch inspecteur een verslag op overeenkomstig bijlage 4.

De bestuurder wordt een afschrift van het controleverslag bezorgd.

§ 3. Het certificaat van de meest recente technische controle en het verslag van de meest recente technische controle langs de weg worden in het voertuig bewaard.

§ 4. De technische inspecteur deelt de controleur binnen een redelijke termijn na de nadere technische controle langs de weg de resultaten van deze controle mee. De controleur bewaart deze informatie, met inachtneming van de toepasselijke wetgeving inzake gegevensbescherming, gedurende minstens 36 maanden vanaf de datum van ontvangst.

Onderafdeling 6. — Maatregelen in geval van grote of gevaarlijke gebreken of bij onmiddellijk en rechtstreeks gevaar voor de verkeersveiligheid

Art. 11. § 1. Onverminderd het bepaalde in paragraaf 3, wordt elk groot of gevaarlijk gebrek dat bij een initiële of nadere technische controle wordt geconstateerd, verholpen voordat het voertuig weer op de openbare weg gebruikt wordt.

§ 2. Wanneer het voertuig in België ingeschreven is, kan besloten worden dat het voertuig binnen een aangegeven termijn aan een volledige technische controle moet worden onderworpen. Wanneer het voertuig in een andere lidstaat is ingeschreven, kan de controleur de bevoegde instantie van die lidstaat via de contactpunten, verzoeken passende opvolgingsmaatregelen te treffen zoals het uitvoeren van een nieuwe technische controle van dit voertuig.

Wanneer er op een buiten de Unie ingeschreven voertuig grote of gevaarlijke gebreken worden aangetroffen, kunnen de lidstaten besluiten de bevoegde instantie van het land van inschrijving in kennis te stellen.

§ 3. Wanneer er sprake is van gebreken die vanwege onmiddellijk of rechtstreeks gevaar voor de verkeersveiligheid snel of onmiddellijk dienen te worden hersteld, wordt het gebruik van het voertuig beperkt of, eventueel door het in bewaring nemen van de boorddocumenten, verboden totdat de gebreken zijn verholpen.

Het gebruik van een dergelijke voertuig kan worden toegestaan om het naar een van de dichtstbijzijnde herstelwerkplaatsen te rijden waar de gebreken kunnen worden verholpen, op voorwaarde dat de gevaarlijke gebreken op zodanige wijze zijn verholpen dat deze werkplaats kan worden bereikt en er geen onmiddellijk risico voor de veiligheid van de inzittenden of andere weggebruikers bestaat. De controleur kan beslissen om het voertuig naar de herstelwerkplaats te begeleiden. In geval van gebreken die niet onmiddellijk hoeven te worden verholpen, neemt de controleur een besluit inzake de voorwaarden waarop en een redelijke termijn waarbinnen het voertuig mag worden gebruikt voordat de gebreken zijn verholpen.

Wanneer het voertuig niet zodanig kan worden hersteld dat het de herstelwerkplaats kan bereiken, mag het naar een beschikbare locatie worden gebracht waar het kan worden hersteld.

HOOFDSTUK IV. — Samenwerking tussen de lidstaten en de Europese Commissie

Art. 12. § 1. In het geval waarin grote of gevaarlijke gebreken zijn geconstateerd aan een voertuig dat niet is ingeschreven in België, of gebreken die resulteren in een verbod om het voertuig te gebruiken, deelt het contactpunt de resultaten van deze controle mee aan het contactpunt van de lidstaat van inschrijving van het voertuig. Deze kennisgeving bevat de in bijlage 4 beschreven elementen van het verslag van de controle langs de weg.

§ 2. In het geval waarin aan een in België ingeschreven voertuig grote of gevaarlijke gebreken worden geconstateerd en het contactpunt van de lidstaat waar het voertuig is gecontroleerd verzoekt om passende opvolgingsmaatregelen te treffen, kan het bedrijfsvoertuig aan een technische controle in België onderworpen worden.

Onder voorbehoud van het hierna bepaalde, gelden dezelfde regels voor deze controle als voor de controles bedoeld in artikel 23sexies, § 1, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen. Als het desbetreffende voertuig niet binnen de vastgestelde termijn aangeboden wordt, is het niet meer gedekt door een geldig keuringsbewijs.

De domaniale politie of de directie, bevoegd voor de certificering en de homologatie van de voertuigen, van het Operationeel Directoraat-generaal Mobiliteit en Waterwegen onderzoeken elk verzoek dat ze krijgen van een buitenlandse instantie en maken dat verzoek indien nodig over aan een instelling, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.

Het contactpunt licht het contactpunt van de lidstaat van de Europese Unie die de gebreken heeft vastgesteld, over de getroffen maatregelen in.

Wanneer een verzoek overgemaakt wordt aan een instelling, erkend overeenkomstig voornoemd koninklijk besluit van 23 december 1994, wordt de houder van het voertuig door de domaniale politie of de directie, bevoegd voor de certificering en de homologatie van de voertuigen, van het Operationeel Directoraat-generaal Mobiliteit en Waterwegen bij aangetekend schrijven opgeroepen om het voertuig binnen de vijftien dagen te rekenen van de ontvangst van genoemde zending aan een volledige controle te onderwerpen.

Het resultaat van deze contrôle wordt door de instelling medegedeeld aan zowel de directie, bevoegd voor de certificering en de homologatie van de voertuigen, van het Operationeel Directoraat-generaal Mobiliteit en Waterwegen als aan de domaniale politie.

Art. 13. De controleurs treffen de nodige maatregelen om in overleg met andere lidstaten minstens één keer per jaar gezamenlijke technische controle-activiteiten te organiseren.

Art. 14. Om de twee jaar deelt de domaniale politie voor 31 maart de ingezamelde gegevens in verband met de bedrijfsvoertuigen die in de twee voorafgaande jaren gecontroleerd werden elektronisch mee aan het contactpunt met het oog op overmaking ervan aan de Commissie.

De gegevens bevatten volgende inlichtingen :

1° aantal gecontroleerde voertuigen;

2° categorie gecontroleerde voertuigen ;

3° land van inschrijving van elk gecontroleerd voertuig;

4° voor de nadere controles, de gecontroleerde aspecten en de in gebreke zijnde punten, overeenkomstig bijlage 4, punt 10.

Het eerst verslag dekt de periode van twee jaar beginnend op 1 januari 2019.

HOOFDSTUK V. — Wijzigings- en slotbepalingen

Art. 15. Voor de voertuigen bedoeld in artikel 3, 1° tot 3°, wordt het totaal aantal technische controles langs de weg vastgestelt in verhouding tot het aantal in het Waalse Gewest ingeschreven voertuigen.

Art. 16. In het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg wordt artikel 45bis, gewijzigd bij het besluit van 8 januari 2013, opgeheven.

Art. 17. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 1 september 2006 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, wordt vervangen door hetgeen volgt:

« Art. 3. Het totaal van de te innen sommen bepaald in bijlage 2 mag 3500 EUR ten laste van één zelfde overtreder niet te boven gaan. Dat totaal bedraagt 7000 EUR voor de overtredingen waarvan sprake in 4° en 5° van bijlage 2.”.

Art. 18. In artikel 5 wordt § 1, lid 2, vervangen als volgt:

« Het totaal van de ter plaatse te consigneren sommen ten laste van een zelfde overtreder mag 3.500 EUR niet overschrijden. Dat totaal bedraagt 7.000 EUR voor de overtredingen waarvan sprake in 4° en 5° van bijlage 2. ».

Art. 19. In hetzelfde besluit wordt bijlage 2, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 september 2011 en vervangen door het koninklijk besluit van 19 juli 2013, vervangen door bijlage 1 bij dit besluit.

Art. 20. Het koninklijk besluit van 1 september 2006 betreffende de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die in België of in het buitenland ingeschreven zijn, wordt opgeheven, artikel 5 ervan uitgezonderd, dat ingetrokken wordt op 1 januari 2021.;

Art. 21. Dit besluit treedt in werking op 20 mei 2018, uitgezonderd artikel 5, dat in werking treedt op 20 mei 2019.

Art. 22. De Minister tot wiens bevoegdheden de verkeersveiligheid behoort, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlagen