Decreet van 19 december 2007 betreffende het goedkeuringstoezicht van het Waalse Gewest op de aanvullende reglementen op de openbare wegen en op het verkeer van de gemeenschappelijke vervoermiddelen

B.S. 14.01.2008

HOOFDSTUK I. — Begripsomschrijving

Artikel 1. In de zin van dit decreet wordt verstaan onder:

1° goedkeurend beambte: de door de Regering aangewezen beambte;

2° de voorafgaande raadpleging: de raadpleging door de gemeente van de door de Regering aangewezen bevoegde technische dienst voorafgaand aan de beraadslaging van de gemeenteraad betreffende een bijkomend reglement ten einde een technisch advies te verkrijgen over de installatie van de signaleerinrichting alsook de opportuniteit van de maatregel;

3° een bijkomend reglement: een reglement met het oog op de aanpassing van de algemene reglementen betreffende de politie over het wegverkeer aan de plaatselijke of bijzondere omstandigheden via maatregelen met een periodiek of voortdurend karakter.

HOOFDSTUK II. — Bijkomende reglementen over de gewestelijke wegen of tot bepaling van de maatregelen met een zonaal karakter over meerdere gemeenten

Art. 2. De Regering legt de bijkomende reglementen vast die betrekking hebben op:

1° de gewestelijke wegen;

2° de kruispunten met een gewestelijke weg;

3° de vaststelling van maatregelen met een zonaal karakter wanneer ze zich over het grondgebied van meerdere gemeenten uitbreiden;

4° de boswegen en -paden die voor het openbaar verkeer openstaan in het domaniaal bos in de zin van artikel 3, 11°, van het decreet van 15 juli 2008 betreffende het Boswetboek.

De in het eerste lid bedoelde bijkomende reglementen worden na advies van de betrokken gemeenteraden vastgelegd.

Indien ze het in het tweede lid bedoelde advies binnen zestig dagen na de aanvraag niet ontvangt, legt de Regering het reglement van ambtswege vast.

Art. 3. § 1. De gemeenteraden kunnen de bijkomende reglementen betreffende de gewestelijke wegen, met uitzondering van de autosnelwegen, die de Regering niet heeft vastgesteld, vastleggen.

De Regering kan het in het eerste lid bedoelde bijkomende reglement vervangen door haar eigen beslissing.

§ 2. De in § 1 bedoelde bijkomende reglementen worden onderworpen aan de goedkeuring van de goedkeurend beambte behalve de uitzondering bepaald door de Regering.

Het in § 1, eerste lid, bedoelde bijkomende reglement treedt in werking indien de goedkeurend beambte zich niet uitspreekt binnen:

1° twintig dagen na ontvangst van het bijkomende reglement in geval van voorafgaande raadpleging;

2° zestig dagen na ontvangst van het bijkomende reglement bij gebrek aan een voorafgaande raadpleging.

Er wordt een beroep ingesteld tegen de beslissing tot niet-goedkeuring bij de Regering. Het wordt binnen zestig dagen na ontvangst van de beslissing ingediend. Bij gebrek aan beslissing binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het beroep wordt de beslissing tot niet-goedkeuring definitief.

§ 3. De Regering kan:

1° de maatregelen die het voorwerp kunnen uitmaken van de in § 1 bedoelde bijkomende reglementen beperken;

2° de in § 2, tweede lid, bedoelde termijnen beperken.

De termijnen die in § 2 bedoeld zijn of die krachtens het eerste lid aangenomen zijn, worden van 16 juli tot 15 augustus en van 25 tot 31 december opgeschort.

HOOFDSTUK III. — Gemeentelijke bijkomende reglementen

Art. 4. § 1. Onverminderd de artikelen 2 en 5, derde lid, leggen de gemeenteraden de bijkomende reglementen vast, die betrekking hebben op:

1° de gemeentelijke wegen;

2° maatregelen met een zonaal karakter betreffende zowel gemeentelijke als gewestelijke wegen gelegen op het grondgebied van hun gemeente.

§ 2. De in § 1 en in artikel 12 bedoelde bijkomende reglementen worden onderworpen aan de goedkeurend beambte die, volgens het geval, het geheel of een gedeelte van het bijkomend reglement al dan niet goedkeurt.

Een bijkomend reglement treedt in werking indien de goedkeurend beambte zich niet uitspreekt binnen:

1° twintig dagen na ontvangst van het bijkomende reglement in geval van voorafgaande raadpleging;

2° zestig dagen na ontvangst van het bijkomende reglement bij gebrek aan een voorafgaande raadpleging.

Er wordt een beroep ingesteld tegen de beslissing tot niet-goedkeuring of tot gedeeltelijke goedkeuring bij de Regering. Het wordt binnen zestig dagen na ontvangst van de beslissing ingediend. Bij gebrek aan beslissing binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het beroep wordt de beslissing tot niet-goedkeuring of tot gedeeltelijke goedkeuring definitief.

§ 3. De Regering kan:

1° de bijkomende reglementen die niet aan de goedkeurend beambte onderworpen worden, vaststellen;

2° de in § 2, tweede lid, bedoelde termijnen beperken.

De termijnen die in § 2 bedoeld zijn of die krachtens het eerste lid aangenomen zijn, worden van 16 juli tot 15 augustus en van 25 tot 31 december opgeschort.

Art. 5. Om de exploitatiekosten van de openbaarvervoersmaatschappijen te beheersen kan de Regering de gemeenteradenverzoeken om te beraadslagen over de door haar voorgestelde maatregelen om het verkeer van het openbaar vervoer op het grondgebied van de gemeente te vergemakkelijken.

De op verzoek van de Regering besloten bijkomende reglementen worden ter goedkeuring voorgelegd overeenkomstig artikel 4, § 2.

Indien de gemeenteraden geen gevolg geven aan het verzoek van de Regering binnen de door haar bepaalde termijn of, indien de Regering niet instemt met het door de gemeenteraden vastgestelde bijkomend reglement, kan de Regering het bijkomend reglement vastleggen.

HOOFDSTUK IV. — Parkeerretributies, -taksen en -heffingen

Art. 6. Wanneer de Regering of een gemeenteraad een bijkomend parkeerreglement vastlegt voor parkeerplaatsen met beperkte duur, betaalparkeerplaatsen en parkeren op plaatsen voorbehouden aan de houders van een gemeentelijke–parkeerkaart, kan zij/hij voorzien in een parkeerheffing of -taks of parkeerheffingen bepalen in het kader van concessies of beheerscontracten betreffende het parkeren op de openbare weg, die toepasselijk zijn op motorvoertuigen, de aanhangwagens of bestanddelen ervan.

De in het eerste lid bedoelde bepaling is niet van toepassing op halfmaandelijks alternerend parkeren, noch op de beperking van langdurig parkeren.

Art. 7. Voor het innen van de parkeerretributies, -taksen en -heffingen bedoeld in artikel 6, hebben de Regering, de gemeenten en hun concessiehouders of de autonome gemeenteregiëen machtiging om, overeenkomstig de wet op de bescherming van de privésfeer, de identiteit van de houder van het kentekenplaatnummer te vragen bij de overheid die met de inschrijving van voertuigen belast is.

Art. 8. De parkeerretributies, -taksen of –heffingen waarin artikel 6 voorziet, zijn voor rekening van de houder van het kentekenplaatnummer.

HOOFDSTUK V. — Overheid belast de plaatsing van verkeerstekens

Art. 9. De plaatsing van verkeerstekens die een verplichting opleggen of die op een verbod wijzen, rust op de overheid die de maatregel heeft genomen. Elke andere bewegwijzering rust op de overheid die bevoegd is voor het wegenbeheer.

In afwijking van het eerste lid rust de plaatsing van verkeerstekens ter formalisering van de krachtens artikel 2, 2° en 3°, en artikel 5, derde lid, vastgelegde bijkomende reglementen op de overheid die bevoegd is voor het wegenbeheer.

HOOFSTUK VI. — Het signaleren van verkeersbelemmeringen en werken

Het woord "HOOFSTUK" dient gelezen te worden als "HOOFDSTUK".

Art. 10. § 1. Het signaleren van verkeersbelemmeringen rust op de persoon die de belemmering veroorzaakt.

De in het eerste lid bedoelde persoon verwijdert de verkeerstekens zodra de belemmering weggewerkt is.

In geval van nalatigheid van de in de eerste alinea bedoelde persoon of indien de belemmering niet te wijten is aan een handeling van een derde, neemt de voor het wegenbeheer bevoegde overheid deze verplichting op zich.

§ 2. Het signaleren van de werken op de openbare weg rust op de persoon die de werken uitvoert.

Indien gebruik wordt gemaakt van verkeerslichten, voorrangsborden, verbodsborden, verplichte borden, stop- en parkeerborden, tijdelijke longitudinale markeringen die verkeersborden of transversale markeringen aanduiden, mogen dergelijke borden alleen geplaatst worden met toestemming van:

1° de Regering als het om een autosnelweg gaat;

2° de burgemeester als het gaat om een andere openbare weg, behalve afwijkingen bepaald door de Regering en volgens de door haar vastgestelde modaliteiten.

De in het eerste lid bedoelde machtiging bepaalt in elk geval de te gebruiken verkeerstekens.

Degene die de werken uitvoert, verwijdert de verkeerstekens zodra de werken voltooid zijn.

§ 3. In spoedgevallen kunnen de wegenbeheerders, de politie- en interventiediensten, zonder op de in § 2, tweede lid, bedoelde machtiging te wachten, verkeerstekens plaatsen die bestemd zijn om het verkeer te verbieden of tijdelijk te regelen.

Deze verkeerstekens en voorzieningen worden verwijderd zodra de toestand weer normaal is geworden.

§ 4. De Regering kan algemene regels vastleggen om de verkeerstekens die moeten worden gebruikt voor de gebruikelijke werken en de noodsituaties te bepalen.

HOOFDSTUK VII. — Tenlasteneming van de kosten gebonden aan de verkeerstekens

Art. 11. De kosten gebonden aan de plaatsing, het onderhoud en de vernieuwing van de verkeerstekens zijn ten laste van de overheid die ze heeft geplaatst.

In afwijking van het eerste lid:

1° zijn de kosten voortvloeiend uit de plaatsing van apparaten voor afstandsbedieningvoor verkeerslichten door de voertuigen van openbaar vervoer ten laste van de Regering, terwijl de lasten uit het onderhoud en de vernieuwing van deze voorzieningen ten laste zijn van de door de Regering aangewezen openbaarvervoersmaatschappij;

2° zijn de kosten van het signaleren van de verkeersbelemmeringen door de overheid belast met het wegenbeheer, in geval van nalatigheid van de persoon die de belemmering veroorzaakt, ten laste van laatstgenoemde.

HOOFDSTUK VIII. — Het verkeer in de havens

Art. 12. De gemeenteraden kun bijkomende reglementen vastleggen tot schorsing of tot wijziging van de toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg en van elk door de Regering bepaald reglement voor het verkeer tussen de laad- en loskades, de opslagplaatsen, de loodsen, de magazijnen gevestigd in de zee- of binnenhavens.

De Regering kan het verkeer van voertuigen of voertuigcombinaties onderwerpen aan een machtigingsstelsel en heffingen opleggen ter gehele of gedeeltelijke dekking van de kosten voor het beheer, de controle en het toezicht alsook het gebruik van de infrastructuur.

HOOFDSTUK IX. — Toezicht op de verkeerstekens en ambtshalve uitvoering

Art. 13. Indien de verkeerstekens niet aan de reglementering inzake plaatsing en technische eisen van de verkeerstekens, niet aan de bij de algemene reglementen bepaalde voorwaarden voldoen of niet onderhouden worden, kan de Regering, nadat de overheden twee achtereenvolgende malen schriftelijk verzocht werden haar verplichtingen na te komen, bevelen dat de ambtshalve uitvoering wordt opgelegd. Elke uitgave, waartoe de uitvoering van ambtswege van deze maatregelen aanleiding heeft gegeven, kan op de in gebreke gebleven overheid worden verhaald.

HOOFDSTUK X. — Reclame

Art. 14. De maatregelen tot regeling van het verkeer, genomen krachtens dit decreet of de artikelen 2 en 3 van de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen, worden ter kennis gebracht van de gebruikers door personen die de kentekens van hun ambt dragen en die ter plaatse opgesteld zijn of door passende verkeerstekens. Ze kunnen ook ter kennis worden gebracht via andere vormen van reclame waarvan de modaliteiten door de Regering worden bepaald.

HOOFDSTUK XI. — Verkeersbordendatabank

Art. 15. De aanvullende reglementen en de locaties van de verkeersborden worden opgenomen in een databank.

De Regering bepaalt de modaliteiten van het beheer, de werking en de toegang tot de databank.

HOOFDSTUK XII. — Sancties

Art. 16. In geval van overtreding van artikel 10, § 1, van dit decreet of van de toepassingsreglementen ervan zijn de sancties bepaald bij en krachtens artikel 29, § 2 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer van toepassing.

HOOFDSTUK XIII. — Opheffings- en slotbepalingen

Art. 17. In de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer worden de volgende artikelen opgeheven:

1° artikel 2, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2007;

2° artikel 3, vervangen bij de wet van 12 juli 1973, met uitzondering van de militaire wegen bedoeld in § 1, eerste lid, 4°;

3° artikel 12, eerste lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 december 1982 en gewijzigd bij de wet van 20 juli 2005;

4° de artikelen 13 tot 14;

5° artikel 17, vervangen bij het koninklijk besluit van 30 december 1982 en gewijzigd bij de wet van 20 juli 2005;

6° de artikelen 18, 19 en 20.

Art. 18. De artikelen 57 en 58 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg worden opgeheven.

Art. 19. De artikelen 1 tot 18 die voorafgaan, treden in werking op 1 januari 2019 met uitzondering van artikel 15 dat in werking treden op 1 januari 2023.

De Regering kan een vroegere datum van inwerkingtreding dan de in het eerste lid bepaalde datum bepalen.

Zie Besluit van de Waalse Regering van 14 maart 2019 houdende uitvoering van het decreet van 19 december 2007 betreffende het goedkeuringstoezicht van het Waalse Gewest op de aanvullende reglementen op de openbare wegen en op het verkeer van de gemeenschappelijke vervoermiddelen en tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 8 oktober 2009 betreffende de overdrachten van bevoegdheden bij de Waalse Overheidsdienst.