Decreet van 9 maart 2018 houdende het terugkommoment in het kader van de rijopleiding categorie B

B.S. 28.03.2018

Contents[Hide]

HOOFDSTUK 1. — Inleidende bepalingen

Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

Art. 2. In dit decreet wordt verstaan onder:

1° terugkommoment: de opleiding die houders van een rijbewijs categorie B na het behalen van het rijbewijs moeten volgen met als doel het inzicht in en de beheersing van verkeersrisico’s, de basisstelregels bij ongevallen en de zelfreflectie te verhogen;

2° erkende instelling: het centrum dat erkend is om het terugkommoment te organiseren;

3° toezichthouder: de personeelsleden belast met het toezicht op de naleving van het terugkommoment;

4° handhavingsinstantie: de personeelsleden belast met het opleggen van een bestuurlijke boete wegens het niet volgen van het terugkommoment.

HOOFDSTUK 2. — Territoriaal toepassingsgebied

Art. 3. Het territoriale toepassingsgebied van dit decreet strekt zich uit tot elke persoon die bij afloop van de termijn tijdens dewelke het terugkommoment moet worden gevolgd, is ingeschreven in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van een Vlaamse gemeente.

HOOFDSTUK 3. — Verplichting tot het volgen van het terugkommoment

Art. 4. Binnen een termijn, bepaald door de Vlaamse Regering en uiterlijk twee jaar nadat hij zijn rijbewijs heeft behaald, is de houder van een rijbewijs B ertoe gehouden een terugkommoment te volgen bij een erkende instelling. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van het terugkommoment.

De verplichting om een terugkommoment te volgen, geldt voor zover de in artikel 3 bedoelde personen een rijbewijs B afgeleverd kregen door een Vlaamse gemeente.

Art. 5. Elke persoon die het terugkommoment volgt, is een vergoeding verschuldigd. De Vlaamse Regering bepaalt aan wie de vergoeding toekomt en stelt het bedrag en de wijze van inning vast. De Vlaamse Regering kan inzonderheid erin voorzien dat toeslagen verschuldigd zijn wanneer een bestuurder zich laattijdig aanbiedt om het terugkommoment te volgen.

HOOFDSTUK 4. — Erkenning en subsidiëring van de erkende instellingen

Art. 6. De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de toekenning, weigering, verlenging, schorsing en intrekking van de erkenning van de instellingen die het terugkommoment organiseren.

Art. 7. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen waaronder subsidies verleend worden aan de erkende instellingen voor de organisatie van het terugkommoment.

HOOFDSTUK 5. — Handhaving

Art. 8. Iedereen die het terugkommoment, vermeld in artikel 4, niet tijdig volgt, wordt gestraft met een geldboete van 50 euro tot 500 euro.

De strafvordering die het gevolg is van dit misdrijf, verjaart één jaar na de dag waarop het misdrijf is begaan, onverminderd een eventuele stuiting of schorsing.

Art. 9. § 1. Aan iedereen die het terugkommoment, vermeld in artikel 4, niet tijdig volgt, kan een bestuurlijke geldboete van maximaal 500 euro worden opgelegd.

Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten, vermeld in artikel 8, eerste lid.

§ 2. De bevoegdheid om een bestuurlijke geldboete op te leggen, vervalt twee jaar na de dag waarop het misdrijf, vermeld in artikel 8, eerste lid, is begaan.

Art. 10. § 1. De Vlaamse Regering wijst de toezichthouders alsook de handhavingsinstantie aan.

§ 2. Als de toezichthouder vaststelt dat het terugkommoment niet tijdig gevolgd is, stuurt hij de vermoedelijke overtreder binnen een maand nadat hij het terugkommoment moest volgen, een aanmaning.

Als de vermoedelijke overtreder het terugkommoment alsnog volgt binnen twee maanden nadat de aanmaning, vermeld in het eerste lid, verstuurd is, vervalt de bevoegdheid om een bestuurlijke geldboete op te leggen en hoeft de toezichthouder de procureur des Konings niet op de hoogte te brengen van het misdrijf, vermeld in artikel 8, eerste lid.

§ 3. Als de vermoedelijke overtreder het terugkommoment niet volgt binnen twee maanden nadat de aanmaning, vermeld in paragraaf 1, verstuurd is, stelt de toezichthouder het misdrijf, vermeld in artikel 8, eerste lid, en artikel 9, § 1, vast in een proces-verbaal waarvan de nadere voorwaarden worden vastgesteld door de Vlaamse Regering.

De toezichthouder bezorgt het proces-verbaal onmiddellijk aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied van de woonplaats van de vermoedelijke overtreder. De toezichthouder verzoekt de procureur des Konings om zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het misdrijf. Tegelijkertijd bezorgt de toezichthouder een kopie van het proces-verbaal aan de handhavingsinstantie.

§ 4. De procureur des Konings beschikt over een vervaltermijn van twee maanden om zijn voornemen om al dan niet strafvervolging in te stellen, mee te delen aan de handhavingsinstantie. De voormelde termijn gaat in op de derde werkdag nadat de kennisgeving, vermeld in artikel 10, § 3, tweede lid, is verzonden. Onder werkdag wordt verstaan elke dag, uitgezonderd zaterdag, zondag en feestdag.

Als de procureur des Konings tijdig zijn voornemen om strafvervolging in te stellen, meedeelt, vervalt de mogelijkheid om een bestuurlijke geldboete op te leggen.

Als de procureur des Konings tijdig zijn voornemen om geen strafvervolging in te stellen, meedeelt, vervalt de strafvervolging en kan een bestuurlijke geldboete worden opgelegd.

Als de procureur des Konings zijn beslissing niet tijdig meedeelt, vervalt de mogelijkheid om strafvervolging in te stellen en kan een bestuurlijke geldboete worden opgelegd.

Art. 11. § 1. Na de ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings om geen strafvervolging in te stellen of in geval van het uitblijven van een antwoord van de procureur des Konings binnen de vervaltermijn, vermeld in artikel 10, § 4, eerste lid, brengt de handhavingsinstantie binnen een maand de vermoedelijke overtreder op de hoogte van het voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, en bezorgt ze hem een kopie van het proces-verbaal.

De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een maand die volgt op de kennisgeving van het bericht, vermeld in het eerste lid, schriftelijk zijn verweer mee te delen.

Binnen vier maanden na de kennisgeving van het voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, vermeld in het eerste lid, beslist de handhavingsinstantie of ze een bestuurlijke geldboete oplegt.

De handhavingsinstantie brengt de vermoedelijke overtreder binnen tien dagen op de hoogte van haar beslissing.

§ 2. De beslissing om een bestuurlijke geldboete op te leggen, heeft uitvoerbare kracht na het verstrijken van een maand vanaf de dag van de kennisgeving, behalve als jurisdictioneel beroep wordt aangetekend conform paragraaf 3.

§ 3. Tegen de beslissing waarbij een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, kan degene aan wie de boete is opgelegd, beroep instellen met een geschreven verzoekschrift bij de politierechtbank, volgens de burgerlijke procedure, binnen een maand na de kennisgeving van de beslissing.

De politierechtbank beslist over het beroep dat ingesteld is tegen de bestuurlijke geldboete. Ze oordeelt over de wettelijkheid en de proportionaliteit van de opgelegde bestuurlijke geldboete. Ze kan de opgelegde bestuurlijke geldboete bevestigen of herzien. Ze kan tevens uitstel van de tenuitvoerlegging toestaan op dezelfde wijze als het strafgerecht dat zou kunnen. De beslissing van de politierechtbank is niet vatbaar voor hoger beroep.

Als beroep wordt ingesteld tegen de beslissing van de handhavingsinstantie, kan een personeelslid van die instantie de handhavingsinstantie vertegenwoordigen in het kader van de procedure voor de politierechtbank.

§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van inning van de bestuurlijke geldboete.

De vordering tot voldoening van de bestuurlijke geldboete verjaart vijf jaar na de dag waarop ze is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 tot en met 2250 van het Burgerlijk Wetboek.

HOOFDSTUK 6. — Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 12. Aan artikel 601ter van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 mei 1999 en gewijzigd bij de wetten van 24 juni 2013 en 15 juli 2013 en bij het decreet van 27 november 2015, wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt:

“7° het beroep tegen de beslissing om een bestuurlijke geldboete op te leggen, vermeld in artikel 11, § 3, van het decreet van 9 maart 2018 houdende het terugkommoment in het kader van de rijopleiding categorie B.”.

HOOFDSTUK 7. — Inwerkingtreding en toepassingsgebied in de tijd

Art. 13. Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum en uiterlijk op 1 juli 2018.

De Vlaamse Regering bepaalt op welke categorieën van bestuurders de verplichting om het terugkommoment te volgen van toepassing is in de tijd.

Zie Besluit van de Vlaamse Regering van 28 september 2018 houdende het terugkommoment in het kader van de rijopleiding categorie B.