Decreet van 17 januari 2019 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging gebonden aan het verkeer van de voertuigen

B.S. 21.02.2019

HOOFDSTUK I. — Algemene bepalingen

Artikel 1. Voor de toepassing van dit decreet en van zijn uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder:

1o lage-emissiezone: de zone waarvan de toegang tot de motorvoertuigen tijdelijk of voortdurend beperkt of verboden wordt naar gelang van de door die voertuigen veroorzaakte milieuhinder en de in artikel 4 bedoelde planning;

2o alarmdrempel : een niveau waarboven een kortstondige blootstelling risico’s voor de menselijke gezondheid van de volledige bevolking inhoudt vanaf welk de Regering onmiddellijk maatregelen neemt;

3o Wegcode: de code bepaald bij het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;

4o koninklijk besluit van 15 maart 1968: het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;

5o besluit van de Waalse Regering van 15 juli 2010 : het besluit van de Waalse Regering van 15 juli 2010 betreffende de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit en dat de uitvoering van dringende maatregelen rechtvaardigt;

6o voertuig: het voertuig in de zin van artikel 1, § 2, 40, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968;

7o voertuigen van de categorieën M1, M2, M3, N1, N2 en N3: de voertuigen van de overeenstemmende categorieën bedoeld in het koninklijk besluit van 15 maart 1968;

8o voertuig voor speciale doeleinden: het voertuig voor speciale doeleinden in de zin van artikel 1, § 2, 45, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968;

9o rolstoellift: het in of op het voertuig gemonteerde liftsysteem dat wordt gebruikt om de rolstoel met de gebruiker in het voertuig te monteren;

10o euronorm I, II, III, IV, V, VI, VId-TEMP of VId : de norm die van toepassing is op de voertuigen uit de categorieën M3, N2 en N3 die voldoen aan de emissienormen, bedoeld in Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG;

11o euronorm 1, 2, 3, 4, 5, 6, 6d-TEMP of 6d : de norm die van toepassing is op de personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen uit de categorieën M1, M2 en N1 die voldoen aan de emissienormen, bedoeld in Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en Verordening (EU) nr. 582/2011 met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI);

12o ANPR camera: de camera die automatisch nummerplaten herkent;

13o grenswaarde: een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis wordt vastgesteld met als doel schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en/of het milieu als geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen en dat binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt en, wanneer het eenmaal is bereikt, niet meer mag worden overschreden;

14o elektrisch voertuig: elektrisch voertuig in de zin van artikel 2, 27obis, van het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt;

15o hybride voertuig: een voertuig, aangedreven door een elektrische motor en een verbrandingsmotor, waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig;

16o voertuig dat werkt op waterstof: voertuig dat waterstof gebruikt als enige energiebron.

Art. 2. § 1. Allen wat de voertuigen van categorie M1 betreft, worden de volgende typen verkeer verboden:

1o vanaf 1 januari 2023, het verkeer van een voertuig dat voldoet aan geen enkele euronorm of dat aan euronorm 1 voldoet;

2o vanaf 1 januari 2024, het verkeer van een voertuig dat aan euronorm 2 voldoet;

3o vanaf 1 januari 2025, het verkeer van een voertuig dat aan euronorm 3 voldoet;

4o vanaf 1 januari 2026, het verkeer van een voertuig dat aan euronorm 4 voldoet;

5o vanaf 1 januari 2028, het verkeer van een voertuig uitgerust met een dieselmotor dat aan euronorm 5 voldoet;

6o vanaf 1 januari 2030, het verkeer van een voertuig dat aan euronorm 6 voldoet, met uitzondering van de voertuigen uitgerust met een dieselmotor die aan euronorm 6d-TEMP of aan euronorm 6d of aan een hogere euronorm voldoet.

§ 2. De Regering kan om sanitaire of milieugronden het verkeer van de voertuigen die niet in § 1 zijn bedoeld, verbieden. In dit geval bepaalt de Regering de lijst en de vervaltermijnen ervan.

§ 3. De Regering kan begeleidingsmaatregelen bepalen, die bestemd zijn voor de eigenaars van voertuigen waarvan het verkeer krachtens dit decreet is verboden.

Art. 3. § 1. De volgende voertuigen worden gemachtigd om na de in artikel 2 bedoelde vervaltermijnen te rijden:

1o voor een aanvullende duur bepaald door de Regering, de voertuigen die minstens aan euronorm 4 voldoen, en die vóór 1 januari 2019 verworven zijn, voor zover ze niet aan een derde afgestaan worden;

2o de voertuigen die minder dan 3.000 km per jaar afleggen;

3o de in artikel 37 van de Wegcode bedoelde prioritaire voertuigen;

4o de voertuigen van de krijgsmacht;

5o de voertuigen die in noodsituaties of bij reddingswerken worden gebruikt op verzoek van de brandweer, de politie, het leger, de civiele bescherming of de wegenautoriteiten;

6o de voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor het onderhoud en de controle van infrastructuren en installaties van algemeen nut;

7o de voertuigen die aangepast zijn voor het vervoeren van personen met een handicap, waarvoor door de bevoegde openbare instantie een goedkeuring van aanpassing van een voertuig is afgeleverd.

De in het eerste lid, 1o, bedoelde aanvullende duur begint te lopen vanaf de datum vastgelegd in artikel 2 voor elk betrokken voertuig.

§ 2. De Regering kan andere uitzonderingen op het in artikel 2 bedoelde rijverbod vaststellen naar gelang van de aard, het type en het gebruik van het betrokken voertuig, alsmede in uitzonderlijke en in de tijd beperkte situaties. Ze bepaalt de modaliteiten volgens welke individuele afwijkingen worden toegekend.

§ 3. Dit artikel doet geen afbreuk aan de toepassing van de artikelen 4 tot 14.

HOOFDSTUK II. — Lage-emissiezones

Afdeling 1. — Gemeenschappelijke bepaling

Art. 4. § 1. De toegang tot een lage-emissiezone is alleen toegelaten voor:

1o de voertuigen die niet beantwoorden aan de categorieën M en N;

2o de elektrische voertuigen, de hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer en de voertuigen die werken op waterstof;

3o de motorvoertuigen uit de categorieën M en N1 die in België of in het buitenland zijn ingeschreven en die voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) vanaf 1 januari 2020, de voertuigen waarvan:

de dieselmotor ten minste voldoet aan de euronorm IV of 4;

de benzinemotor, de LPG-motor of de CNG-motor ten minste voldoet aan de euronorm II of 2;

b) vanaf 1 januari 2022, de voertuigen waarvan:

de dieselmotor ten minste voldoet aan de euronorm V of 5;

de benzinemotor, de LPG-motor of de CNG-motor ten minste voldoet aan de euronorm III of 3;

a) vanaf 1 januari 2025, de voertuigen waarvan:

de dieselmotor ten minste voldoet aan de euronorm VI of 6;

de benzinemotor, de LPG-motor of de CNG-motor ten minste voldoet aan de euronorm IV of 4;

4o de in artikel 37 van de Wegcode bedoelde prioritaire voertuigen;

5o de voertuigen van de krijgsmacht;

6o de voertuigen die in noodsituaties of bij reddingswerken worden gebruikt op verzoek van de brandweer, de politie, het leger, de civiele bescherming of de wegenautoriteiten;

7o de voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor het onderhoud en de controle van infrastructuren en installaties van algemeen nut;

8o de voertuigen voor speciale doeleinden die voldoen aan de definitie van kampeerwagen of mobiele kraan;

9o de uitzonderlijke vervoeren in de zin van artikel 2, § 1, 5o, van het koninklijk besluit van 2 juni 2010 betreffende het wegverkeer van uitzonderlijke voertuigen, die beschikken over een geldige vergunning voor uitzonderlijk vervoer afgeleverd door de bevoegde overheid;

10o de voertuigen die aangepast zijn voor het vervoeren van personen met een handicap, waarvoor door de bevoegde openbare instantie een goedkeuring van aanpassing van een voertuig is afgeleverd;

11o de voertuigen uitgerust met een rolstoellift en die niet bedoeld zijn in 10o;

12o de voertuigen gebruikt in het kader van een openbaar vervoersdienst;

13o de toeristische miniatuurtreinslepen, bedoeld in artikel 2, § 2, 8o van het koninklijk besluit van 15 maart 1968;

14o de voertuigen die speciaal aangepast zijn voor markten, beurzen, optochten en ambulante handel.

Wanneer de euronorm van een voertuig niet in de databank van de met de inschrijving van de voertuigen belaste instantie is opgenomen of wanneer dit gegeven niet op het inschrijvingsbewijs staat, wordt de euronorm bepaald op basis van de bewijsstukken verstrekt door de persoon op wiens naam het voertuig staat ingeschreven of, bij gebreke daarvan, op basis van de datum van eerste inschrijving van het voertuig. In dit geval worden de in bijlage 1 bedoelde data gebruikt om de euronorm die op het voertuig van toepassing is, te bepalen.

§ 2. In afwijking van § 1, eerste lid, 3o, wordt de toegangsmachtiging van het bedoelde voertuig met één jaar verlengd voor de voertuigen waarvoor een conformiteitattest is afgeleverd door een in artikel 16 bedoelde erkende onderhouds- en reparatie-inrichting.

In afwijking van § 1 kunnen de voertuigen die sedert meer dan veertig jaar in gebruik zijn genomen en die gebruikt worden voor toeristische vrijetijdsdoeleinden of andere commerciële doeleinden, behalve in geval van toepassing van artikel 8, toegang hebben tot een lage-emissiezone.

Om in aanmerking te komen voor de in het eerste en in het tweede lid bedoelde afwijkingen, moeten de betrokken voertuigen zich laten registreren in de in artikel 14 bedoelde databank. De Regering bepaalt de registratiemodaliteiten.

§ 3. De Regering kan de in paragraaf 1 bedoelde lijst van de voertuigen die gemachtigd zijn om toegang te hebben tot de lage-emissiezones, aanvullen op basis van:

1o de impact van de voertuigen op de luchtverontreiniging;

2o hun motorisatie;

3o hun leeftijd;

4o in voorkomend geval, hun onderhoudsniveau.

De Regering bepaalt de uitzonderingen op de in § 1 bedoelde beperking van het recht van toegang tot lage-emissiezones naar gelang van :

1o de aard, het type of het gebruik van het betrokken voertuig;

2o het tijdstip van de dag.

De Regering bepaalt de modaliteiten volgens welke tijdelijke of voortdurende individuele afwijkingen worden toegekend. Daartoe kan ze rekening houden met sociaal-economische criteria en met de bijzondere toestand van de gebruikers, met name van de personen die binnen de lage-emissiezones verblijven.

§ 4. De Regering kan om sanitaire of milieugronden het verkeer van de voertuigen uitgerust met door haar bepaalde motorisaties en volgens de door haar vastgestelde vervaltermijnen beperken of verbieden.

Art. 5. De Regering bepaalt de publiciteitsmaatregelen betreffende de oprichting van de lage-emissiezone.

Art. 6. § 5. Indien, in geval een verkeersgeleiding of wegomleiding door politie of wegbeheerder wordt opgelegd, het doorgaand verkeer van buiten de lage-emissiezone verplicht wordt omgeleid via de lage-emissiezone en dat deze situatie ervoor zorgt dat een voertuig, dat niet beantwoordt aan de toelatingscriteria, de lage-emissiezone binnen rijdt, kan voor dit voertuig geen overtreding worden vastgesteld.

Afdeling 2. — Gewestelijke lage-emissiezones

Art. 7. De Regering kan één of meerdere voortdurende of tijdelijke lage-emissiezones oprichten op het grondgebied van het Waalse Gewest om de luchtkwaliteit te verbeteren.

Art. 8. Wanneer de drempelwaarde wordt overschreden, wordt de toegang tot het geheel van het grondgebied van het Waalse Gewest overeenkomstig artikel 4 toegelaten voor de duur van de overschrijding.

Zodra de Regering tijdens een verontreinigingspiek van een risico voor overschrijding van de drempelwaarde kennis heeft, gaat zij over tot informatie aan de bestuurders van voertuigen waarin gewezen wordt op een mogelijke toepassing van lid 1. De Regering bepaalt de modaliteiten van deze informatieverstrekking.

Afdeling 3. — Gemeentelijke lage-emissiezones

Art. 9. § 1. Voor bepaalde vaste tijdstippen van de dag of bepaalde perioden van het jaar kan een gemeente voortdurend en via een aanvullend gemeentelijke verkeersreglement de oprichting van één of meerdere lage-emissiezones op de gemeentelijke en gewestelijke wegen gelegen op haar grondgebied, met uitzondering van de autosnelwegen, aan de Regering voorstellen.

Het ontwerp van gemeentelijk reglement wordt met redenen omkleed en gaat vergezeld van een mobiliteitsplan dat alternatieve mobiliteitsoplossingen bevat en dat goedgekeurd is in overleg met de aangrenzende gemeenten en met de betrokken wegenbeheerders.

De Regering bepaalt de voorwaarden waaraan de door een gemeente voorgestelde lage-emissiezones voldoen.

§ 2. Binnen vijftien dagen na de aanneming van het in § 1 bedoelde voorstel maakt de gemeente het ontwerp van aanvullend gemeentelijk verkeersreglement alsook de erbij gevoegde documenten ter goedkeuring over aan de Regering.

Wanneer het voorstel belangrijke gevolgen in termen van verkeersverhoging op het grondgebied van een andere gemeente heeft, legt de Regering het voorstel ter advies aan deze andere betrokken gemeenten voor en nodigt ze bedoelde gemeenten, in voorkomend geval, om een gemeenschappelijke lage-emissiezone voor te stellen.

De Regering regelt de procedure en de modaliteiten betreffende de goedkeuring van het in § 1 bedoelde reglement.

De Regering regelt de termijn waarin de krachtens dit artikel opgerichte lage-emissiezones op het beoogde grondgebied effectief zijn.

§ 3. De beperking van het recht van toegang van de voertuigen tot de lage-emissiezones wordt geregeld overeenkomstig de bepalingen die door de Regering krachtens artikel 4 zijn genomen.

Art. 10. Wanneer een grenswaarde van de luchtkwaliteit op haar grondgebied overschreden wordt, legt de betrokken gemeente de Regering binnen de door de haar bepaalde termijn een ontwerp-reglement tot oprichting van een voorturende lage-emissiezone overeenkomstig artikel 9.

Het woord “voorturende” dient gelezen te worden als “voortdurende”.

Indien binnen de gestelde termijn geen ontwerp wordt ingediend of indien het ontwerp niet volstaat om de luchtkwaliteit te verbeteren, legt de Regering de nodige maatregelen overeenkomstig artikel 7 op.

Art. 11. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten kan de Regering onder de door haar bepaalde voorwaarden een subsidie of een materiële hulp toekennen aan de gemeenten die één of meerdere lage-emissiezones uitvoeren.

Afdeling 4. — Verkeersteken en controles

Art. 12. Een lage-emissiezone wordt aangegeven door de borden F117 en F118 als bedoeld in artikel 71.2 van de Wegcode, waaraan een bord met de betreffende periode wordt toegevoegd wanneer de zone tijdelijk wordt vastgesteld.

De omtrek van de krachtens de artikelen 7, 8 en 9 van dit decreet opgerichte lage-emissiezones wordt voortdurend bekendgemaakt op de website van de gemeente waarop ze zich bevinden.

Art. 13. § 1. De controle op de toegang tot de lage-emissiezones en de vaststelling van de overtredingen worden uitgevoerd aan de hand van ANPR camera’s met of zonder vaste of mobiele automatische apparaten.

§ 2. De voertuigen waarvoor de in artikel 14 bedoelde databank de voor de in § 1 bedoelde controle nodige informatie niet bevat, moeten het voorwerp uitmaken van een voorafgaande registratie om op het grondgebied van het Waalse Gewest vrij te kunnen rijden.

De Regering bepaalt de registratiemodaliteiten alsook de voertuigen die van de registratie worden vrijgesteld. Ze stelt een instrument waarmee kan worden bepaald of een voertuig moet worden geregistreerd, ter beschikking van het publiek.

Art. 14. § 1. De gegevens die voor de toepassing van dit decreet strikt noodzakelijk en relevant zijn, worden in een databank opgenomen.

De door de Regering aangewezen diensten beheren deze databank.

Daartoe verzoeken deze diensten de bevoegde instanties, zoals de instantie verantwoordelijk voor de inschrijving van de voertuigen, en de gemeenten die een lage-emissiezone op hun grondgebied oprichten, om de nodige gegevens betreffende de voertuigen in elektronisch formaat over te maken.

§ 2. Indien de in § 1 bedoelde gegevens, met uitzondering van de in § 3 bedoelde gegevens, geen substantiële rol kunnen vervullen teneinde een overtreding te bewijzen, worden ze tijdens drie maanden bewaard, tenzij de gegevens nodig zijn in het kader van opvolgingsonderzoek of voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden waarbij de wetgeving inzake de persoonlijke levenssfeer wordt gerespecteerd.

Om dit te doen, worden de persoonsgegevens anoniem gemaakt van zodra hun individualisering niet meer noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor ze werden verzameld.

De gegevens kunnen aan de door de Regering aangewezen overheden of administraties meegedeeld worden met het oog op hun latere verwerking voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden.

§ 3. De gegevens gebonden aan de registratie van de voertuigen worden tijdens maximum drie maanden na het verstrijken van de duur van geldigheid van de betrokken registraties bewaard.

De gegevens verstrekt door de persoon op wiens naam het voertuig staat ingeschreven om toegang te hebben tot een lage-emissiezone, mogen tijdens maximum drie maanden na het verstrijken van de geldigheid van de bekomen toegang bewaard worden.

§ 4. De Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens betreffende de voertuigen in de databank opgenomen worden alsook de procedure en de modaliteiten daarvan. Ze bepaalt de voorwaarden betreffende de inhoud en de werking van de databank.

HOOFDSTUK III. — Motorstillegging

Art. 15. Wanneer een voertuig tot stilstand komt op een plaats waar het niet verboden is om te stoppen of een voertuig te parkeren op grond van artikel 24 van de Wegcode, moet de bestuurder de motor van het voertuig rechtstreeks uitschakelen.

De Regering kan voorzien in afwijkingen van het eerste lid voor bepaalde categorieën voertuigen of in geval van technisch probleem.

HOOFDSTUK IV. — Onderhoud van de voertuigen om de emissies te beperken

Art. 16. § 1. De Regering kan de modaliteiten voor de controle van de luchtverontreinigende stoffen van voertuigen bepalen, die toegepast worden:

1o in de keuringsstations tijdens periodieke of aanvullende controles;

2o bij willekeurige controles op de openbare weg.

§ 2. Om de milieuprestatie van voertuigen te controleren, te onderhouden en aan te moedigen, kan de Regering een onderhouds- en reparatie-inrichting die voldoet aan de door haar bepaalde voorwaarden en modaliteiten erkennen.

De voorwaarden hebben betrekking op de eisen betreffende het materiaal voor de meting van de emissies, op de toepassing van de controlemethodes, op de technische onderhoudsakten en op de advisering van voertuiggebruikers.

§ 3. De erkende onderhouds- en reparatie-inrichting geeft een conformiteitattest aan de eigenaar van het betrokken voertuigen en aan de door de Regering aangewezen dienst af. De Regering stelt de inhoud van het attest vast.

Overeenkomstig artikel 4, § 2, kan de aanvrager, op basis van het afgegeven attest, een tijdelijke afwijking vragen, die hem het mogelijk maakt toegang te hebben tot de lage-emissiezones. De Regering bepaalt de aanvraagprocedure en de modaliteiten ervan.

HOOFDSTUK V. — Strafrechtelijke en administratieve overtredingen

Art. 17. Er wordt een overtreding van tweede categorie in de zin van artikel D.151 van Boek I van het Milieuwetboek begaan door degene die :

1o artikel 2 overtreedt.

2o met kennis van zaken, zich niet overeenkomstig artikel 13, § 2, heeft ingeschreven of valse gegevens voor de registratie heeft verstrekt;

3o toegang heeft tot een lage-emissiezone in overtreding van artikel 4;

4o artikel 15 overtreedt.

5o een in artikel 16 bedoeld attest afgeeft zonder te beschikken over de nodige erkenning.

HOOFDSTUK VI. — Wijzigings- en slotbepalingen

Art. 18. Artikel D.138, eerste lid, van Boek I van het Milieuwetboek, ingevoegd bij het decreet van 5 juni 2008 en voor het laatst gewijzigd bij het decreet van 12 december 2014, wordt aangevuld met een punt 20o, luidend als volgt:

″20o het decreet van 17 januari 2019 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging gebonden aan het verkeer van de voertuigen.″.

Art. 19. In artikel D.141 van hetzelfde Boek, gewijzigd bij het decreet van 5 juni 2008 en gewijzigd bij het decreet van 19 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1o het vierde lid wordt vervangen door wat volgt :

″Wanneer de ambtenaar-vaststeller in geval van flagrante overtreding, begaan vanuit een motorvoertuig of aan de hand van een motorvoertuig, niet de auteur van de feiten maar wel de nummerplaat van het voertuig heeft kunnen identificeren, heeft het proces-verbaal tot vaststelling van de overtreding en bevattende de identificering van de nummerplaat van het voertuig bewijskracht dat de overtreding werd begaan door de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven staat bij de voor de inschrijving verantwoordelijke instantie of bij zijn buitenlandse equivalent.

Dat vermoeden kan door elk rechtsmiddel omgekeerd worden, met uitzondering van de eed.″;

2o bedoeld artikel wordt aangevuld met volgend lid, luidend als volgt:

″Ingeval van betwisting van het vermoeden door een rechtspersoon, deelt laatstgenoemde de identiteit mede van de bestuurder op het ogenblik van de betrokken feiten of, indien zij die niet kent, de identiteit van de persoon die het voertuig onder zich heeft.″.

Art. 20. In artikel D.146 van hetzelfde Boek, gewijzigd bij het decreet van 5 juni 2008 en gewijzigd bij het decreet van 22 juli 2010 en 27 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1o punt 4o wordt vervangen als volgt:

″4o de opdracht geven om een voertuig, met inbegrip van de voor het vervoer gebruikte voertuigen aan te houden, en hun lading controleren;

2o het artikel wordt aangevuld met een punt 11o, luidend als volgt:

″11o de nodige administratieve gegevens raadplegen en een afschrift ervan nemen, zoals de wettelijk voorgeschreven documenten die de bestuurder in zijn bezit moet hebben en in ruimere zin alle documenten die nuttig zijn voor de identificatie van het voertuig, de bestuurder of de persoon op wiens naam het voertuig staat ingeschreven.″.

Art. 21. Artikel D.159, § 2, van hetzelfde Boek, ingevoegd bij het decreet van 5 juni 2008 en voor het laatst gewijzigd bij het decreet van 12 december 2014, wordt aangevuld met een punt 9o, luidend als volgt:

″9o de overtredingen van het decreet van 17 januari 2019 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging gebonden aan het verkeer van de voertuigen.″.

Art. 22. Artikel D.167, § 1, van hetzelfde Boek, ingevoegd bij het decreet van 5 juni 2008 en gewijzigd bij het decreet van 22 juli 2010, wordt aangevuld met een punt 4o, luidend als volgt:

″4o de overtredingen van het decreet van 17 januari 2019 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging gebonden aan het verkeer van de voertuigen.″.

Art. 23. In artikel 29, § 2, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie van het wegverkeer, gewijzigd bij de wetten van 1 april 2006 en 20 maart 2007, wordt een vierde lid ingevoegd, luidend als volgt:

″De overtreding van de in het eerste lid bedoelde reglementen m.b.t. een lage-emissiezone, zoals bedoeld in artikel 2.63 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, wordt niet strafrechtelijk vervolgd.″.

Art. 24. In artikel 28 van de wet van 28 december 21964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging wordt artikel 2, waarvan de huidige tekst paragraaf 1 zal vormen, aangevuld met een paragraaf 2, luidend als volgt:

″§ 2. Onder verontreinigingspieken wordt verstaan, het niveau van luchtverontreiniging dat de uitvoering van dringende maatregelen rechtvaardigt.

De Regering wordt gemachtigd om de dringende maatregelen te bepalen.″.

“28 december 21964” dient gelezen te worden als “28 december 1964”.

Art. 25. De Regering legt uiterlijk 1 juni van elk jaar een omstandig jaarverslag i.v.m. de uitvoering van dit decreet aan het Parlement over.

Het eerste verslag wordt voor 1 juni 2022 voorgelegd.

Art. 26. Met uitzondering van de artikelen 4 tot 13 treedt dit decreet in werking op 1 maart 2019.

De artikelen 4 en 13 treden in werking op 1 juli 2019.