21 OKTOBER 2009. - Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad Voor de EER relevante tekst
[P.B. 14.11.2009]

Bijlagen

Bijlage I

I. LIJST VAN DE IN ARTIKEL 8 BEDOELDE ONDERWERPEN

De voor de vaststelling van de vakbekwaamheid door de lidstaten in aanmerking te nemen kennis moet ten minste betrekking hebben op de in de onderstaande lijst genoemde onderwerpen voor het goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg. Voor deze onderwerpen moeten de kandidaat-wegvervoerders het kennis- en vaardigheidsniveau hebben dat nodig is om een vervoersonderneming te leiden.

Het hieronder beschreven minimumkennisniveau mag niet lager zijn dan niveau 3 van de structuur van de opleidingsniveaus als aangegeven in de bijlage bij Besluit 85/368/EEG van de Raad [1], namelijk het kennisniveau dat is bereikt door verplicht onderwijs aangevuld met hetzij beroepsopleiding en een aanvullende technische opleiding, hetzij een schoolopleiding op secundair niveau of een andere technische opleiding.

A. Burgerlijk recht

De kandidaat moet met name, met betrekking tot het vervoer van goederen en personen over de weg:

  1. kennis hebben van de belangrijkste contracten die in het wegvervoer worden gebruikt en van de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen;
  2. in staat zijn een rechtsgeldige vervoersovereenkomst te bedingen, met name wat de vervoersvoorwaarden betreft;

    met betrekking tot het vervoer van goederen over de weg:
  3. in staat zijn een klacht van zijn of haar opdrachtgever te onderzoeken in verband met schade ten gevolge van verlies of beschadiging van goederen tijdens het transport dan wel van vertraging bij de aflevering, en kunnen bepalen welke de gevolgen van de klacht zijn voor zijn contractuele aansprakelijkheid;
  4. kennis hebben van de regels en verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR);
    met betrekking tot het vervoer van personen over de weg:
  5. in staat zijn een klacht van zijn opdrachtgever te onderzoeken in verband met door reizigers opgelopen letsel of in verband met schade aan hun bagage ten gevolge van een ongeval tijdens het transport of in verband met schade als gevolg van vertraging, en kunnen bepalen welke de gevolgen van de klacht zijn voor zijn contractuele aansprakelijkheid.

B. Handelsrecht

De kandidaat moet met name, met betrekking tot het vervoer van goederen en personen over de weg:

  1. kennis hebben van de voorwaarden en de regels inzake de bedrijfsuitoefening en de algemene verplichtingen van ondernemers (inschrijving, boekhouding enz.) en van de consequenties van een faillissement;
  2. de vereiste kennis hebben omtrent de verschillende ondernemingsvormen en de daarmee verband houdende voorschriften inzake oprichting en functioneren.

C. Sociaal recht

De kandidaat moet met name, met betrekking tot het vervoer van goederen en personen over de weg, kennis hebben van:

  1. de rol en het functioneren van de verschillende sociale instellingen in de wegvervoersector (vakbonden, ondernemingsraden, personeelsvertegenwoordiging, arbeidsinspectie enz.);
  2. de verplichtingen van de werkgever op het gebied van de sociale zekerheid;
  3. de voorschriften inzake de arbeidsovereenkomsten voor de verschillende categorieën werknemers van wegvervoerondernemingen (vorm van de overeenkomst, verplichtingen van de partijen, arbeidsvoorwaarden en werktijden, vakanties met behoud van loon, salaris, verbreking van het contract enz.);
  4. de voorschriften inzake rij- en rusttijden alsmede werktijden en met name van de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3821/85, Verordening (EEG) nr. 561/2006, Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad [2] en Richtlijn 2006/22/EG, alsmede van de wijze waarop deze wetgeving in de praktijk wordt toegepast, en
  5. de voorschriften, met name op grond van Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad [3], inzake de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders.

D. Belastingrecht

De kandidaat moet met name, met betrekking tot het vervoer van goederen en personen over de weg, kennis hebben van de voorschriften inzake:

Vervoer van goederen en personen over de weg:

  1. de belasting over de toegevoegde waarde (btw) op vervoerdiensten;
  2. de motorrijtuigenbelasting;
  3. de heffingen op bepaalde voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg alsmede de tolgelden en gebruiksrechten voor het gebruik van bepaalde infrastructuur;
  4. de inkomstenbelasting.

E. Commercieel en financieel beheer van de onderneming

De kandidaat moet met name, met betrekking tot het vervoer van goederen en personen over de weg:

  1. kennis hebben van de wettelijke bepalingen en de praktijken met betrekking tot het gebruik van cheques, wissels, promesses, kredietkaarten en andere betaalmiddelen of -methoden;
  2. kennis hebben van de verschillende kredietvormen (bankkrediet, documentair krediet, waarborgsommen, hypotheken, leasing, renting, factoring enz.) en de daaruit voortvloeiende lasten en verplichtingen;
  3. weten wat een balans is en hoe een balans is opgesteld en moet worden geïnterpreteerd;
  4. een winst-en-verliesrekening kunnen lezen en interpreteren;
  5. een analyse kunnen maken van de financiële situatie en de rentabiliteit van de onderneming, met name op basis van de financiële ratio’s;
  6. een begroting kunnen opstellen;
  7. weten hoe zijn kostprijs is samengesteld (vaste kosten, variabele kosten, bedrijfskosten, afschrijvingen enz.) en berekeningen per voertuig, per kilometer, per reis of per ton kunnen maken;
  8. een organisatieschema voor alle werknemers van de onderneming en werkplanningen enz. kunnen opstellen;
  9. kennis hebben van de beginselen van het marktonderzoek (marketing), de verkoopbevordering voor vervoerdiensten, het opzetten van klantenbestanden, reclame, public relations enz.;
  10. kennis hebben van de verschillende typen verzekeringen die voor vervoersactiviteiten van belang zijn (aansprakelijkheidsverzekering, verzekering van passagiers, goederen, bagage) en de daarmee verband houdende waarborgen en verplichtingen;
  11. kennis hebben van telematicatoepassingen op het gebied van het wegvervoer;

    met betrekking tot het vervoer van goederen over de weg:
  12. de regels betreffende de facturering van goederenvervoerdiensten over de weg kunnen toepassen en kennis hebben van de betekenis en de implicaties van de Incoterms;
  13. kennis hebben van de verschillende categorieën tussenpersonen, hun rol, hun functie en eventueel hun status;

    met betrekking tot het vervoer van personen over de weg:
  14. de regels met betrekking tot de tarieven en de prijsstelling in het openbaar en particulier personenvervoer kunnen toepassen;
  15. de regels inzake de facturering van personenvervoerdiensten over de weg kunnen toepassen.

F. Toegang tot de markt

De kandidaat moet met name, met betrekking tot het vervoer van goederen en personen over de weg, kennis hebben van:

  1. de beroepsvoorschriften inzake het vervoer over de weg voor rekening van derden, het huren van bedrijfsvoertuigen, uitbesteding, en met name de voorschriften betreffende de officiële beroepsorganisatie, de toegang tot het beroep, vergunningen voor intracommunautair en extracommunautair wegvervoer alsmede handhaving en sancties;
  2. de voorschriften inzake de oprichting van een wegvervoeronderneming;
  3. de verschillende documenten die vereist zijn voor de uitvoering van wegvervoerdiensten en de invoering van controleprocedures om ervoor te zorgen dat op het kantoor van de onderneming en aan boord van de voertuigen met elkaar overeenstemmende documenten aanwezig zijn met betrekking tot ieder uitgevoerd transport, met name de documenten inzake het voertuig, de bestuurder, de goederen en de bagage;

    met betrekking tot het vervoer van goederen over de weg:
  4. de voorschriften inzake de marktordening voor het goederenvervoer over de weg, alsmede de voorschriften inzake expeditiebedrijven en logistiek;
  5. grensformaliteiten, de functie en betekenis van T-documenten en het carnet TIR en van de verplichtingen en verantwoordelijkheden die aan het gebruik daarvan zijn verbonden;

    met betrekking tot het vervoer van personen over de weg:
  6. de voorschriften betreffende de marktordening voor het personenvervoer over de weg;
  7. de voorschriften inzake de invoering van nieuwe vervoerdiensten en het opstellen van vervoerplannen.

G. Technische normen en exploitatie

De kandidaat moet met name, met betrekking tot het vervoer van goederen en personen over de weg:

  1. kennis hebben van de voorschriften betreffende gewichten en afmetingen van voertuigen in de lidstaten en van de procedures met betrekking tot uitzonderlijke transporten waarbij van deze voorschriften wordt afgeweken;
  2. afhankelijk van de behoefte van de onderneming de voertuigen en de onderdelen daarvan kunnen kiezen (chassis, motor, transmissiesystemen, remsystemen enz.);
  3. kennis hebben van de formaliteiten inzake de goedkeuring, de registratie en de technische keuring van de voertuigen;
  4. in staat zijn de nodige maatregelen te nemen tegen geluidsoverlast en tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen;
  5. periodieke onderhoudsplannen kunnen opstellen voor voertuigen en uitrusting;

    met betrekking tot het vervoer van goederen over de weg:
  6. kennis hebben van de diverse typen laad- en losmachines (laadkleppen, containers, pallets enz.) en in staat zijn procedures en instructies te ontwikkelen voor het laden en lossen van goederen (belastingsverdeling, stapelen, beladen, vastzetten enz.);
  7. kennis hebben van de verschillende technieken voor gecombineerd vervoer in het railvervoer en rorovervoer;
  8. in staat zijn de procedures in het kader van de voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen en afvalstoffen toe te passen, met name die welke zijn gebaseerd op Richtlijn 2008/68/EG [4] en Verordening (EG) nr. 1013/2006 [5];
  9. in staat zijn de procedures in het kader van de voorschriften betreffende het vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen toe te passen, met name die welke zijn gebaseerd op de Overeenkomst inzake het internationale vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer (ATP);
  10. in staat zijn de procedures in het kader van de voorschriften inzake vervoer van levende dieren toe te passen.

H. Verkeersveiligheid

De kandidaat moet met name, met betrekking tot het vervoer van goederen en personen over de weg:

  1. weten over welke certificaten het rijdend personeel moet beschikken (rijbewijs, medische attesten, verklaring van geschiktheid enz.);
  2. maatregelen kunnen nemen om ervoor te zorgen dat de bestuurders zich houden aan de in de verschillende lidstaten geldende verkeersvoorschriften en -verboden en -beperkingen (snelheidsbeperkingen, voorrangsregels, voorschriften inzake stoppen en parkeren, gebruik van lichten, verkeerssignalering enz.);
  3. in staat zijn voor de bestuurders instructies op te stellen met betrekking tot de controle op de veiligheidsnormen inzake de staat van het vervoermaterieel, de uitrusting, de lading en de te nemen preventieve maatregelen;
  4. in staat zijn procedures op te stellen die moeten worden gevolgd bij een ongeval, en de nodige procedures toe te passen om herhaling van ongevallen of ernstige inbreuken te voorkomen;
  5. in staat zijn procedures toe te passen om de goederen op een veilige manier vast te zetten en op de hoogte zijn van de technieken op dat gebied;

    met betrekking tot het vervoer van personen over de weg:
  6. een elementaire kennis hebben van de structuur van het wegennet in de lidstaten.

II. ORGANISATIE VAN HET EXAMEN

1. De lidstaten zullen een verplicht schriftelijk examen organiseren, dat met een mondeling examen kan worden aangevuld, om na te gaan of de kandidaat-wegvervoerders beschikken over het in deel I vereiste kennisniveau omtrent de daar genoemde onderwerpen en met name in staat zijn de met die onderwerpen verband houdende instrumenten en technieken te gebruiken en de voorgeschreven uitvoerende en coördinerende taken te verrichten.

a) Het verplichte schriftelijke examen zal bestaan uit twee onderdelen, namelijk:

i) schriftelijke vragen in de vorm van hetzij meerkeuzevragen (vier antwoordmogelijkheden), hetzij vragen met één antwoord, hetzij een combinatie van de twee systemen;
ii) schriftelijke opdrachten/casestudy's.

Elk onderdeel duurt ten minste twee uur.

b) Wanneer een mondeling examen wordt georganiseerd, kunnen de lidstaten het slagen voor het schriftelijke examen als voorwaarde stellen voor de toelating tot het mondelinge examen.

2. Wanneer de lidstaten ook een mondeling examen organiseren, moeten zij voor elk onderdeel een weging van de punten toepassen die echter niet minder dan 25 % of meer dan 40 % van het in totaal toe te kennen aantal punten mag bedragen.

Wanneer de lidstaten alleen een schriftelijk examen organiseren, moeten zij voor elk onderdeel een weging van de punten toepassen die echter niet minder dan 40 % of meer dan 60 % van het in totaal toe te kennen aantal punten mag bedragen.

3. Voor alle onderdelen tezamen moeten de kandidaten een gemiddelde van ten minste 60 % van het puntentotaal behalen, zonder dat het voor elk onderdeel behaalde percentage minder mag bedragen dan 50 % van het totaal dat kan worden behaald. Een lidstaat mag voor één onderdeel het percentage van 50 terugbrengen tot 40.


[1] Besluit 85/368/EEG van de Raad van 16 juli 1985 inzake de vergelijkbaarheid van de getuigschriften van vakbekwaamheid tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap (PB L 199 van 31.7.1985, blz. 56).
[2] Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 35).
[3] Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen (PB L 226 van 10.9.2003, blz. 4).
[4] Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PB L 260 van 30.9.2008, blz. 13).
[5] Verordening (EG) nr. 1013/2006van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1).