Koninklijk besluit van 4 juni 1958 betreffende de vrije stroken langs de autosnelwegen

B.S. 29-06-1958

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt dit koninklijk besluit opgeheven en vervangen door het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2019 betreffende de vrije stroken langs autosnelwegen.

Artikel 1. De vrije stroken beslaan een breedte van dertig meter aan weerszijden van de grens van het domein van de autosnelweg.

Benevens de rijbanen, de stationeerstroken en de als zodanig gerangschikte toegangswegen, omvat het domein van de autosnelweg, gans het Rijksdomein aan weerszijden van de weg, dat met het oog op de behoeften en voor de dienst van de autosnelweg is ingericht.

Art. 2. Het is verboden in die stroken te bouwen, te herbouwen of bestaande bouwwerken te verbouwen. Dat verbod geldt niet voor instandhoudings- en onderhoudswerken.

Het is verboden in die stroken onwettig opgerichte bouwwerken te handhaven.

Voorbij de tiende meter, gemeten van de grens van het domein van de autosnelweg, kan de Minister van Openbare Werken en van Wederopbouw of zijn gemachtigde echter afwijkingen van het in lid 1 gestelde verbod toestaan binnen bestaande of in plannen van aanleg, goedgekeurd overeenkomstig de wetgeving op de stedebouw, ontworpen bebouwde gedeelten. Hetzelfde geldt buiten de bebouwde gedeelten en voorbij de tiende meter, gemeten van de grens van de autosnelweg, voor het verbouwen van en bijbouwen bij bestaande bouwwerken.

Art. 3. Het is verboden langs de aansluitingscomplexen van de autosnelweg, over een diepte van tien meter gemeten van de grens van het domein van de autosnelweg, hoogstammige bomen te planten of enige andere aanplanting met een hoogte van meer dan een meter te doen.

Art. 4. De beboste percelen en gedeelten van beboste percelen die in de vrije stroken zijn gelegen, moeten in hun aard van bos gehandhaafd worden, behoudens afwijking toegestaan door de Minister van Openbare Werken en van Wederopbouw of zijn gemachtigde.

Door het verlenen van die afwijking is de betrokkene niet ontheven van de verplichting, zich naar de andere wetten en verordeningen te voegen.

Art. 5. In die stroken mogen geen afsluitingen van materialen, die een gesloten wand vormen, zoals betonplaten of metselwerk, worden aangebracht.

Wanneer de afsluiting een groene haag is, wordt deze ten minste vijftig centimeter achter de grens van de autosnelweg geplant; ze wordt jaarlijks geschoren en mag niet meer dan een meter breed zijn.

In de afsluitingen mogen geen uitgangen worden gemaakt die toegang verlenen tot de autosnelweg.

Art. 6. Het is verboden in die stroken afval, uitschot, schroot, materialen en materieel te storten, op te slaan of tentoon te stellen. Voorbij de tiende meter, gemeten van de grens van het domein van de autosnelweg, mogen evenwel nieuwe materialen en nieuw materieel worden neergelegd, gestapeld of tentoongesteld, op voorwaarde dat de begunstigde de materialen en het materieel door een scherm van beplantingen aan het gezicht vanaf de autosnelweg onttrekt.

Het is insgelijks verboden in de strook van tien meter, gemeten van de grens van het domein van de autosnelweg, gier- of beerputten te maken.

Art. 7. In die stroken mag geen enkele ophoging van meer dan een meter hoogte of uitgraving van meer dan een meter diepte worden gemaakt.

Voorbij de tiende meter gemeten van de grens van het domein van de autosnelweg kan de Minister van Openbare Werken en van Wederopbouw of zijn gemachtigde evenwel afwijkingen van het in het vorig lid bepaald verbod toestaan onder het stellen van zekere voorwaarden, daarin begrepen de verplichting voor de begunstigde, de uitgraving of ophoging door een scherm van beplantingen aan het oog der gebruikers van de autosnelweg te onttrekken.

Art. 8. In die stroken mogen geen luchtinstallaties worden aangebracht, met uitzondering :

1° van die welke langs de bestaande gewone wegen worden geplaatst, op voorwaarde dat ze op meer dan 5 meter van de grens van de autosnelweg blijven;

2° van die welke worden geplaatst langs de wegen en spoorwegen die de autosnelweg onder of boven kruisen;

3° van de elektrische leidingen met een spanning van ten minste 15 000 volt tussen de fasen, welke onverminderd de verordeningsbepalingen betreffende de kruising van de gewone wegen, de autosnelweg en de er langs liggende vrije stroken mogen kruisen op een hoogte van tenminste tien meter boven de rijbanen, op voorwaarde dat de masten voorbij de tiende meter, gemeten vanaf de grens van het domein van de autosnelweg, worden opgesteld.

Art. 9. Het bestuur mag in die stroken tijdelijke wegneembare inrichtingen plaatsen om ophoging van de sneeuw op de autosnelweg te voorkomen.

Art. 10. Onze Minister van Openbare Werken en van Wederopbouw is belast met de uitvoering van dit besluit.