10 OKTOBER 1974. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen.
[BS 15.11.1974]

Hoofdstuk I. Begripsomschrijving en toepassingssfeer

Artikel 2. Toepassingssfeer

§ 1. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op alle tweeof driewielige voertuigen en vierwielers behorend tot de categorieën die zijn gedefinieerd in het eerste lid van artikel 1, paragraaf 1.

§ 2. 1. Sommige bijzondere categorieën van voertuigen zijn evenwel slechts aan bepaalde voorschriften van dit algemeen reglement onderworpen.

Het zijn : de voertuigen die meer dan 25 jaar geleden in dienst werden gesteld en ingeschreven overeenkomstig artikel 12, § 3 of 15/2, § 3 van het ministerieel besluit van 23 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen.

Deze zijn enkel onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 10, 11, §3 en 13 van dit besluit. Deze voertuigen zijn uitgesloten van volgend gebruik :

— commercieel en professioneel gebruik;

— woon-werkverkeer en woon-schoolverkeer;

— bezoldigd vervoer en met bezoldigd vervoer van personen gelijkgesteld gratis vervoer;

— gebruik als werktuig of werkmiddel alsook voor interventieopdrachten.

Voor voertuigen uitgerust met rupsbanden wordt het gebruik beperkt tot :

— oldtimermanifestaties;

— proefritten binnen een straal van 3 km vanaf de stallingsplaats van het voertuig.

§ 2. 2. Andere bijzondere categorieën van voertuigen zijn niet aan de voorschriften van dit besluit onderworpen.

a) voertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 6 km/u;

b) voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik door lichamelijk gehandicapten;

c) voertuigen die uitsluitend bestemd zijn om door een voetganger te worden meegevoerd;

d) voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik in wedstrijden;

e) voertuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor gebruik door de strijdkrachten, de burgerbescherming, de brandweer, de ordehandhavingsdiensten en de medische nooddiensten;

f) landbouw- of bosbouwvoertuigen die vallen onder Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (22), machines die vallen onder Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (23) en Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines (24), en motorvoertuigen die vallen onder Richtlijn 2007/46/EG;

g) voertuigen die voornamelijk bestemd zijn voor gebruik in het terrein en ontworpen zijn om op onverharde oppervlakken te rijden;

h) fietsen met trapondersteuning, voorzien van een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van ten hoogste 250 W waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken wanneer de bestuurder ophoudt met trappen en anders geleidelijk vermindert en ten slotte wordt onderbroken voordat het voertuig een snelheid van 25 km/h bereikt;

i) zelfbalancerende voertuigen;

j) voertuigen die niet met ten minste één zitplaats zijn uitgerust;

k) voertuigen uitgerust met om het even welk type bestuurderszitplaats waarvan de hoogte van een R-punt ≤ 540 mm voor de categorieën L1e, L3e en L4e of ≤ 400 mm voor de categorieën L2e, L5e, L6e en L7e.

§ 3. (opgeheven)