11 MEI 2004. - Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen.
[BS 01.06.2004]

Titel I : De rijscholen

Hoofdstuk IV. Voorwaarden voor de erkenning van de rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid en de goedkeuring van oefenterrein

Afdeling III. Oefenterreinen

Artikel 16

§ 1. Iedere vestigingseenheid, anders dan de vestigingseenheden die enkel voor de categorie B goedgekeurd zijn, beschikt over minstens één oefenterrein;

Dit oefenterrein moet voor één of meer van de volgende onderrichtcategorieën goedgekeurd worden:

  • A: voertuigen van de categorieën AM, A1, A2 en A;
  • ...
  • C-D: voertuigen van de categorieën C1, C, D1 en D;
  • E: voertuigen van de categorieën B+E, C1+E, C+E, D1+E en D+E;
  • G: voertuigen van de categorie G.

De rijschooldirecteur stelt de Minister of zijn gemachtigde binnen acht dagen in kennis van de geplande wijzigingen aan de onderrichtcategorieën en de uitrusting van het oefenterrein, en ook van elke wijziging van de grootte van het terrein; deze mededeling kan via traditioneel aangetekend schrijven of op aangetekende elektronische wijze gebeuren.

§ 2. Het oefenterrein moet zo ingericht worden, dat alle aan het rijonderricht vreemde personen er geen toegang toe hebben gedurende de praktische lessen.

Het beschikt over de in bijlage 1 bepaalde uitrustingen, die het mogelijk moeten maken om de in bijlage 5 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde manoeuvres in alle veiligheid aan te leren.

Een uitrusting voor een bepaalde onderrichtscategorie mag maar door hoogstens twee lesvoertuigen tegelijk gebruikt worden.

Het oefenterrein mag door verschillende vestigingseenheden en door meerdere rijscholen gebruikt worden.

De afstand tussen de vestigingseenheid en het oefenterrein kan niet meer bedragen dan 20 km in vogelvlucht, behoudens een door de Minister of zijn gemachtigde verleende afwijking.