11 MEI 2004. - Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen.
[BS 01.06.2004]

Titel II : Brevetten van beroepsbekwaamheid

Hoofdstuk III. Stage

Artikel 33

§ 1. De kandidaten voor het brevet II, IV of V moeten, na in de schriftelijke en de mondelinge proef geslaagd te zijn en voor ze de modelles geven, een stage in een erkende rijschool doen, in de hoedanigheid van instructeur in het vak dat met het gevraagde brevet overeenstemt. Voor elk brevet, moeten zij een minimumaantal uren les geven:

  • brevet II: 300 uur,
  • ...
  • brevet IV: 300 uur,
  • brevet V: 300 uur.

De kandidaten voor het brevet III doorlopen, na het slagen voor de schriftelijke en mondelinge proeven en vóór het afleggen van de modelles, een stage als instructeur in de discipline overeenkomstig het brevet III, in één of meerdere erkende rijscholen of in het kader van lessen gegeven door één of meerdere erkende rijscholen buiten hun lokalen. Zij moeten minimaal 76 uren les geven.

Voor de kandidaten die de in artikel 26, § 2 bedoeld opleiding hebben gevolgd, wordt dit minimum verlaagd tot 3/4 van het hierboven bepaalde minimum.

De kandidaat voor een brevet van rijschoolinstructeur, die reeds houder is van een ander brevet, moet een stage verrichten waarin hij les geeft gedurende het equivalent van 2/3 van het minimum van de uren voorzien in het eerste lid.

De stage mag hoogstens vijfendertig uur per week duren.

§ 2. Na het slagen voor de schriftelijke en de mondelinge proef geeft de Minister of zijn gemachtigde een stagetoelating af. Deze toelating is drie jaar geldig. Indien de stage na deze periode niet vervuld is, moet de kandidaat de examens opnieuw afleggen.

De stagetoelating verliest zijn geldigheid na drie mislukkingen voor de modelles.

Het stageprogramma van de rijschoolinstructeurs omvat:

basisprincipes van de werking van een rijschool;

bijwonen van theoretische, praktische en evaluatielessen;

onderricht, met inbegrip van de voorbereiding van de lessen en de evaluatie;

inleiding in de organisatie van de examencentra en het bijwonen van praktische examens.

§ 3. De stage vindt plaats onder toezicht van een stagemeester. Enkel de rijschooldirecteur, de adjunct-rijschooldirecteur of de instructeur die ten minste twee jaar houder is van het overeenstemmende brevet en die slechts in één rijschool tewerkgesteld is, kan stagemeester zijn.

In het geval dat de kandidaat voor het brevet III zijn stage in meerdere rijscholen doorloopt, verloopt de stage onder het toezicht van een stagemeester in iedere rijschool.

Het aantal stagiairs mag niet meer dan een derde van het aantal instructeurs bedragen, behalve voor de rijscholen met minder dan drie rijschoolinstructeurs waar het maximum aantal één stagiair is.

Een stagemeester mag niet meer dan twee stagairs tegelijk onder zijn hoede hebben.

§ 4. De stagemeester moet de stagiair nauwlettend opleiden, overeenkomstig het in § 2 bepaalde stageprogramma.

Voor de stages voor brevet II, III, IV en V moet de stagemeester of een instructeur met minstens twee jaar ervaring bij de theoretische en praktische lessen, die door de stagiair gegeven worden, aanwezig zijn, tot de stagemeester kan waarborgen dat de stagiair geschikt is om een doeltreffend en nuttig onderricht te verstrekken. Hij moet eveneens kunnen waarborgen dat de stagiair bij gevaar tijdens het praktische onderricht passend kan reageren.

De helft van de stage-uren moet door een instructeur met minstens twee jaar ervaring gevolgd worden, en de helft van die uren door de stagemeester zelf.

De stagemeester neemt deel aan de voorbereiding van de lessen.

De Minister kan een instructeur, na zijn voorafgaande verhoor, verbieden om stagemeester te zijn, als hij niet voldoet aan de in § 3 gestelde voorwaarden of hem verbieden om verder stagemeester te blijven als hij de verplichtingen van het eerste, tweede, derde en vierde lid niet naleeft.

De Minister of zijn gemachtigde kan een rijschool aanduiden om stagiairs aan te nemen als een stagiair kan aantonen dat hij geen rijschool vindt waar hij zijn stage kan volbrengen.

De minister of zijn gemachtigde verklaart de door de stagiair afgelegde stage-uren als ongeldig indien niet aan de voorwaarden beschreven in de § 3 en § 4 is voldaan.

Als de stagiair niet is geslaagd voor de modelles, begint hij opnieuw de stage bedoeld in § 1, eerste lid.

§ 5. De stagiair houdt een formulier “stageverloop” bij, waarvan het model door de Minister bepaald wordt.

Het formulier moet in chronologische volgorde de gegevens over de praktische opleiding en de onder of zonder toezicht gegeven lessen vermelden. Het wordt door de stagiair en de stagemeester ondertekend. Het wordt aan het einde van de stage bij het stageattest gevoegd.

Wanneer de kandidaat voor het brevet III zijn stage in meerdere rijscholen doorloopt, houdt hij een formulier « stageverloop » bij voor iedere stagemeester die hem volgt. Iedere stagemeester ondertekent het formulier dat hem betreft.

§ 6. De rijschooldirecteur of de adjunct-directeur geeft de stagiair een stageattest af, waarvan het model door de Minister bepaald wordt en waarin bevestigd wordt dat de kandidaat voor het brevet de stageverplichtingen vervuld heeft. Een kopie van het door de rijschooldirecteur en de stagiair ondertekende stageattest moet ten laatste een maand na het einde van de stage naar het bestuur gezonden worden. De kandidaat kan gedurende de periode tussen het opsturen van het stageattest en het verkrijgen van de instructietoelating onderricht blijven verstrekken en de daarbij behorende taken blijven uitvoeren als kandidaat-instructeur, uitsluitend bij de rijschool waar de kandidaat de stage heeft doorlopen.

Wanneer de kandidaat voor het brevet III zijn stage doorloopt in meerdere rijscholen, levert de directeur of de adjunct-directeur van elk van deze rijscholen aan de stagiair een stageattest af waarvan het model voorgeschreven wordt door de Minister.

Het stageattest verliest zijn geldigheid na twee jaar, te rekenen vanaf het slagen voor de schriftelijke en mondelinge proef.

Voor zover de stagetoelating nog geldig is, kan de Minister of zijn gemachtigde, op het met redenen omklede verzoek van de stagiair of de stagemeester, de stagiair toestaan om zijn stage met een andere stagemeester verder te zetten.