13 FEBRUARI 1991. - Koninklijk besluit houdende de inwerkingtreding en uitvoering van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.
[BS 06.04.1991]

Artikel 1

Voor de uitvoering van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wordt onder grondgebied waar het voertuig gewoonlijk is gestald, begrepen:

a) het grondgebied van de staat waarvan het voertuig een kentekenplaat draagt, ongeacht of het een permanente of een tijdelijke kentekenplaat betreft, of;

b) indien voor een bepaald soort voertuigen geen registratie bestaat, maar dit voertuig een verzekeringsplaat of een met een kentekenplaat overeenkomend kenteken draagt, het grondgebied van de staat waar deze plaat of dit kenteken zijn afgegeven, of;

c) indien voor bepaalde typen voertuigen geen registratie, verzekeringsplaat of onderscheidingsteken bestaat, het grondgebied van de staat waar de houder zijn woonplaats heeft;

d) in gevallen waarin voertuigen die geen kentekenplaat dragen of een kentekenplaat dragen die niet overeenkomt of niet langer overeenkomt met het voertuig, bij een ongeval betrokken zijn geweest, het grondgebied van de staat waar het ongeval heeft plaatsgevonden, met het oog op de afwikkeling van de vordering door het Belgisch Bureau of het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds.

Artikel 2

Voertuigen die geacht worden in het buitenland te zijn gestald en die niet gedekt zijn door een verzekering die voldoet aan de eisen van de wet van 21 november 1989, worden tot het verkeer in België toegelaten mits de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kunnen geven, gedekt is door een internationaal verzekeringsbewijs.

Worden zonder internationaal verzekeringsbewijs tot het verkeer in België toegelaten motorrijtuigen die gewoonlijk gestald zijn op het grondgebied van:

Andorra, Bulgarije, Cyprus, Duitsland, Denemarken, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, IJsland Italië, Kroatië, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Monaco, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, San Marino, Servië, Slovenië, de Slowaakse Republiek, Spanje, de Tsjechische Republiek, Roemenië, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Zweden, Zwitserland en Vaticaanstad.

Artikel 3

De in artikel 3, § 1, tweede lid, van de wet van 21 november 1989 bedoelde staten zijn :

Andorra, België, Bulgarije, Cyprus, Duitsland, Denemarken, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, IJsland Italië, Kroatië, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Monaco, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, San Marino, Servië, Slovenië, de Slowaakse Republiek, Spanje, de Tsjechische Republiek, Roemenië, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Zweden, Zwitserland en Vaticaanstad.

In het geval evenwel waarin de burgerrechtelijke aansprakelijkheid gedekt is door een grensverzekeringsovereenkomst aangegaan bij een verzekeraar die toegelaten is of van toelating vrijgesteld op grond van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zijn de Staten bedoeld bij artikel 3, § 1, lid 2, van de wet van 21 november 1989 deze die partij zijn bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte alsook Zwitserland.

Artikel 4

Het internationaal verzekeringsbewijs bedoeld in artikel 2 geldt als het bewijsmiddel bedoeld in artikel 6, § 2, 3° van de wet van 21 november 1989.

Voor de in artikel 2, tweede lid bedoelde motorrijtuigen geldt als bewijsmiddel de kentekenplaat of het inschrijvingsteken afgegeven in het land van herkomst.

Artikel 5

Het bewijs bedoeld in artikel 7, § 1, van de wet van 21 november 1989 is het internationale verzekeringsbewijs (“groene kaart”), dat onder het gezag van het Belgisch Bureau van de Autoverzekeraars in het kader van de interbureauovereenkomsten wordt uitgegeven en aan de verzekerden wordt bezorgd door de toegelaten of de van toelating vrijgestelde verzekeraars op grond van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.

Artikel 6

Het koninklijk besluit van 24 juni 1973 tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 1 juli 1956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 26 september 1974 en 1 juli 1988, wordt opgeheven.

Artikel 7

De wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en dit besluit treden in werking op de dertigste dag na die waarin dit besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Artikel 8

Onze Minister van Economische Zaken en het Plan en Onze Minister van Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.