Koninklijk besluit van 22 mei 2014 betreffende het goederenvervoer over de weg

B.S. 15.07.2014

Contents[Hide]

TITEL 1. – DEFINITIES

Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1° “wet”: de wet van 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg;

2° “eRegister van wegvervoersondernemingen”: het elektronisch register bedoeld in artikel 4 van de wet van 15 juli 2013 betreffende het eRegister van wegvervoersondernemingen.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt: “3° Vlaamse minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer.”.

De niet gedefinieerde begrippen in dit besluit moeten overeenkomstig hun definities in de wet en in de verordeningen (EG) nrs. 1071/2009 en 1072/2009 worden begrepen.

TITEL 2. – ONDERNEMINGEN GEVESTIGD IN BELGIË – TOEGANG TOT HET BEROEP EN UITOEFENING VAN HET BEROEP

HOOFDSTUK 1. – Betrouwbaarheid

Afdeling 1 – Bewijs

Art. 2. § 1. De bij artikel 8 van de wet bepaalde betrouwbaarheid van de onderneming wordt aangetoond door middel van een uittreksel uit het strafregister.

Indien het in het eerste lid bedoelde uittreksel niet werd afgegeven door de Staat waar de onderneming haar maatschappelijke zetel heeft of door de Staat of Staten waar de natuurlijke personen bedoeld in artikel 8, § 1, van de wet hun woonplaats hebben of gehad hebben, of waarvan zij onderdaan zijn of geweest zijn, kan de betrouwbaarheid worden aangetoond door middel van een gelijkwaardig document afgegeven door die Staten.

Het uittreksel of het gelijkwaardig document moet alle gegevens bevatten om de bij artikel 8 van de wet bepaalde betrouwbaarheid te kunnen beoordelen.

§ 2. Indien een of meer van de in paragraaf 1 bedoelde Staten het uittreksel uit het strafregister of het gelijkwaardig document bedoeld in paragraaf 1 niet afgeven, kunnen ze worden vervangen door een onder ede afgelegde verklaring of door een plechtige verklaring ten overstaan van een bevoegde rechterlijke of bestuursrechtelijke instantie van die Staten, of in voorkomend geval, ten overstaan van een notaris van die Staten dat de onderneming en de natuurlijke personen bedoeld in artikel 8, § 1, van de wet geen van de in artikel 8 van de wet bedoelde veroordelingen of beroepsuitoefeningsverboden hebben opgelopen.

§ 3. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde documenten moeten minder dan drie maanden vóór hun overlegging zijn afgegeven.

§ 4. De in de paragrafen 1 en 2 bepaalde documenten worden door de minister of zijn gemachtigde aangevuld met een uittreksel uit het eRegister van wegvervoersondernemingen.

§ 5. De onderneming moet het bewijs leveren dat zij nog voldoet aan de voorwaarden betreffende de betrouwbaarheidseis telkens wanneer de minister of zijn gemachtigde haar erom verzoekt per brief, per telefax of op elektronische wijze.

Onverminderd artikel 22, § 3, beschikt de onderneming over een termijn van drie maanden vanaf de datum van het verzoek van de minister of zijn gemachtigde om het bewijs van betrouwbaarheid te leveren.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt in § 4 en § 5, het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

Afdeling 2 – Deler

Art. 3. De in artikel 8, § 4, derde lid, van de wet bedoelde deler wordt vastgesteld overeenkomstig de volgende formule: aantal opdecimes die op de datum van het vonnis of het arrest toepasselijk zijn krachtens de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdecimes op de strafrechtelijke geldboeten, vermeerderd met 10 en gedeeld door 10.

Afdeling 3 – Beoordeling van de betrouwbaarheid

Art. 4. § 1. Voor de toepassing van artikel 8, § 8, van de wet houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met:

1° de omstandigheden waarin de inbreuk heeft plaatsgevonden;

2° het effect van de inbreuk op de verkeersveiligheid en op de concurrentiepositie;

3° de evolutie in het gedrag van de onderneming of van de personen bedoeld in artikel 8, § 1, van de wet, inclusief de vervoersmanager;

4° de aard van de activiteiten van de onderneming;

5° het aantal voertuigen waarover de onderneming beschikt of die onder het beheer vallen van de personen, bedoeld in artikel 8, § 1, van de wet, inclusief de vervoersmanager.

De minister of zijn gemachtigde kan rekening houden met alle inlichtingen en documenten die door de bevoegde instanties van andere Staten te zijner beschikking worden gesteld.

§ 2. De minister of zijn gemachtigde kan, indien hij dat nuttig acht voor de beoordeling van de betrouwbaarheid, het advies inwinnen van het Overlegcomité goederenvervoer over de weg, bedoeld in artikel 52 van de wet, dat in voorkomend geval een zitting houdt die plaatsvindt binnen een termijn van één maand nadat de zaak in staat van wijzen is.

De onderneming wordt opgeroepen om te worden gehoord over haar zaak op de zitting van het in het eerste lid bedoelde Overlegcomité, waar zij zich mag laten bijstaan of vertegenwoordigen.

§ 3. De minister of zijn gemachtigde geeft kennis van zijn beslissing binnen een termijn van vier maanden nadat hij kennis heeft gekregen van de inbreuk wanneer het een aanvraag van een vergunning betreft.

Indien de minister of zijn gemachtigde binnen de in het eerste lid bepaalde termijn geen beslissing heeft meegedeeld, wordt de beslissing van rechtswege geacht gunstig te zijn.

§ 4. Indien de minister of zijn gemachtigde oordeelt dat het weigeren of het ontnemen van de betrouwbaarheidsstatus geen onevenredige sanctie is, wordt de nationale of communautaire vergunning bedoeld in de artikelen 18,19 en 20 van de wet geweigerd of ingetrokken overeenkomstig de artikelen 23, eerste lid, 2°, of 24, § 2.

Evenwel kan de minister of zijn gemachtigde de betrouwbaarheidsstatus niet weigeren of ontnemen zonder voorafgaandelijk het advies van het Overlegcomité goederenvervoer over de weg bedoeld in artikel 52 van de wet te hebben ingewonnen.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

HOOFDSTUK 2. – Vakbekwaamheid

Afdeling 1 – Bewijs

Art. 5. De vakbekwaamheid wordt aangetoond:

1° ofwel met een getuigschrift van vakbekwaamheid voor het vervoer van goederen over de weg, afgegeven overeenkomstig artikel 8, achtste lid, van de verordening (EG) nr. 1071/2009;

2° ofwel met een getuigschrift van vakbekwaamheid voor nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg, afgegeven vóór 4 december 2011 overeenkomstig artikel 11, § 1, van de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg;

3° ofwel met een getuigschrift van vakbekwaamheid voor nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg, afgegeven overeenkomstig het koninklijk besluit van 18 maart 1991 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg;

4° ofwel met een getuigschrift van vakbekwaamheid voor nationaal of internationaal goederenvervoer over de weg, afgegeven overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 september 1978 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg;

5° ofwel met een getuigschrift van vakbekwaamheid voor internationaal vervoer, afgegeven overeenkomstig het ministerieel besluit van 7 maart 1967 houdende bepaling van de inzake vakbekwaamheid gestelde eisen voor de afgifte van een algemene vergunning voor internationaal vervoer en tot wijziging van het ministerieel besluit van 23 september 1960 genomen ter uitvoering van het koninklijk besluit van 22 september 1960, houdende algemeen reglement betreffende het vervoer van zaken met motorvoertuigen tegen vergoeding;

6° ofwel met een getuigschrift van vakbekwaamheid afgegeven overeenkomstig de communautaire regelgeving door de daartoe door elke andere lidstaat van de Europese Unie, van de Europese Economische Ruimte of door Zwitserland aangewezen overheid of instantie.

Er worden geen duplicaten afgegeven van de getuigschriften van vakbekwaamheid, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden op uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek van de houder.

Afdeling 2 – Opleiding en examen

Art. 6. § 1. Om te kunnen worden erkend overeenkomstig paragraaf 2 voldoet de opleidingsinstelling bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet aan de volgende selectiecriteria:

1° beschikken over een ervaring van ten minste vijf jaar inzake opleiding in bedrijfsbeheer;

2° beschikken over door de examencommissie bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet goedgekeurde handboeken betreffende de in artikel 12, tweede lid, van de wet bedoelde cursussen over alle in artikel 8, eerste lid, van de verordening (EG) nr. 1071/2009 bedoelde onderwerpen met betrekking tot het goederenvervoer over de weg alsook, in voorkomend geval, over alle krachtens artikel 13, 4°, van de wet bepaalde onderwerpen;

3° in staat zijn om de cursussen bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet in het Nederlands, het Frans en het Duits te geven;

4° in staat zijn het opleidingsaanbod in de vorm van klassikaal onderwijs regionaal te spreiden als volgt: de cursussen in het Nederlands aanbieden in ofwel minstens twee provincies ofwel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en minstens in één provincie buiten Vlaams-Brabant; de cursussen in het Frans aanbieden in ofwel minstens twee provincies ofwel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en in minstens één provincie buiten Waals-Brabant; de cursussen in het Duits aanbieden in één plaats in de Oostkantons;

5° naast of in combinatie met klassikaal onderwijs de mogelijkheid van “e-learning” aanbieden binnen een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van de door de minister bepaalde modaliteiten ervan;

6° tegelijk erkend zijn of erkend worden als opleidingsinstelling overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de wet van 15 juli 2013 betreffende het reizigersvervoer over de weg en houdende uitvoering van de verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van verordening (EG) nr. 561/2006.

§ 2. Om te kunnen worden erkend voor het organiseren van de cursussen bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet, voldoet de opleidingsinstelling die voldoet aan de in paragraaf 1 vermelde selectiecriteria, overeenkomstig het tweede lid aan de volgende gewogen erkenningscriteria:

1° een geschikte infrastructuur voor het opleiden van alle deelnemers aan de cursussen, die een gewogen waarde heeft van twintig procent;

2° het aantal docenten die de nodige scholing of beroepservaring bezitten om les te kunnen geven over alle in artikel 8, eerste lid, van de verordening (EG) nr. 1071/2009 bedoelde onderwerpen met betrekking tot het goederenvervoer over de weg alsook, in voorkomend geval, over alle krachtens artikel 13, 4°, van de wet bepaalde onderwerpen, dat een gewogen waarde heeft van twintig procent;

3° het aantal uren cursus dat de opleidingsinstelling kan geven in het geval van volledig klassikaal onderwijs dat ten minste 115 uren bedraagt, dat een gewogen waarde heeft van twintig procent;

4° de prijs waarvoor de opleiding wordt verstrekt, die de door de minister vastgestelde maximumprijs niet overschrijdt, die een gewogen waarde heeft van veertig procent.

Om te voldoen aan de erkenningscriteria bedoeld in het eerste lid, behaalt de opleidingsinstelling:

1° minimum 50 % van de punten voor elk gewogen erkenningscriterium bedoeld in het eerste lid;

2° minimum 70 % van de punten voor het geheel van de gewogen erkenningscriteria bedoeld in het eerste lid;

§ 3. De aanvraag tot erkenning als opleidingsinstelling wordt schriftelijk ingediend bij de minister of zijn gemachtigde.

Deze aanvraag bevat de volgende gegevens:

1° de identificatiegegevens van de opleidingsinstelling;

2° de stukken waaruit blijkt dat de opleidingsinstelling voldoet aan de selectiecriteria bedoeld in paragraaf 1:

a) een gedetailleerde beschrijving van de ervaring inzake opleiding in bedrijfsbeheer waarover de opleidingsinstelling beschikt;

b) een attest van goedkeuring door de examencommissie bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet van het geheel van de handboeken betreffende de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde onderwerpen;

c) elk bewijsstuk betreffende de talen (Nederlands, Frans en Duits) waarin de docenten in staat zijn les te geven;

d) een attest van goedkeuring door de examencommissie bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet van het aangeboden programma van “e-learning” binnen een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van de door de minister bepaalde modaliteiten van “e-learning”;

3° de stukken waaruit blijkt hoe de opleidingsinstelling voldoet aan de gewogen erkenningscriteria bedoeld in paragraaf 2:

a) een gedetailleerde beschrijving van de beschikbare infrastructuur samen met de opgave van het maximumaantal kandidaten dat per lessencyclus zal kunnen worden aanvaard;

b) een lijst met voor alle in paragraaf 2, eerste lid, 2°, bedoelde onderwerpen de vermelding van de identiteit, het adres en de bekwaamheden van de docenten en elk bewijsstuk betreffende die bekwaamheden;

c) het aantal uren cursus dat door de docenten in het geval van volledig klassikaal onderwijs kan worden gepresteerd;

d) de prijs van de opleiding met inbegrip van de handboeken.

§ 4. De erkende opleidingsinstellingen verstrekken de cursussen bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet op het Belgische grondgebied.

De erkende opleidingsinstellingen aanvaarden de kandidaten voor de cursussen bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet in volgorde van de inschrijvingsaanvragen tot beloop van het aantal beschikbare plaatsen.

Zij houden een jaarregister bij waarin per volgnummer vermeld worden: de identiteit en het adres van de ingeschreven kandidaten, de inschrijvingsdatum en de data van de gegeven cursussen. Een kolom is voorzien voor eventuele opmerkingen.

Deze gegevens mogen ook op dragers voor informatieverwerking opgeslagen worden. De gegevens moeten gedurende zes jaar worden bewaard.

De opleidingsinstellingen die erkend werden voordat de modaliteiten inzake “e-learning” werden bepaald, beschikken over een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van de door de minister bepaalde modaliteiten van “e-learning” om aan het selectiecriterium bedoeld in paragraaf 1, 5°, te voldoen.

§ 5. De erkende opleidingsinstellingen brengen de minister of zijn gemachtigde onmiddellijk op de hoogte van elke wijziging van de gegevens die werden meegedeeld met het oog op de erkenning.

Onverminderd het eerste lid, bevestigen de opleidingsinstellingen aan de minister of zijn gemachtigde, om de vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de erkenning, dat er geen wijzigingen in de gegevens die werden meegedeeld met het oog op de erkenning hebben plaatsgevonden.

§ 6. De minister trekt de erkenning in wanneer een opleidingsinstelling:

1° niet meer voldoet aan de in de paragrafen 1 of 2 bedoelde voorwaarden;

2° de bepalingen van de paragrafen 4 of 5 niet naleeft;

3° de richtlijnen die hij of zijn gemachtigde geeft overeenkomstig de wet of dit besluit, niet opvolgt.

De verantwoordelijke van de opleidingsinstelling wordt vooraf door de minister of zijn gemachtigde gehoord.

De intrekking wordt, op straffe van nietigheid, per aangetekende brief aan de opleidingsinstelling meegedeeld.

Art. 6 Vlaams Gewest. § 1. Om te kunnen worden erkend overeenkomstig paragraaf 2 voldoet de opleidingsinstelling bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet aan de volgende selectiecriteria:

1° beschikken over een ervaring van ten minste vijf jaar inzake opleiding in bedrijfsbeheer;

2° beschikken over door de examencommissie bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet goedgekeurde handboeken betreffende de in artikel 12, tweede lid, van de wet bedoelde cursussen over alle in artikel 8, eerste lid, van de verordening (EG) nr. 1071/2009 bedoelde onderwerpen met betrekking tot het goederenvervoer over de weg alsook, in voorkomend geval, over alle krachtens artikel 13, 4°, van de wet bepaalde onderwerpen;

3° in staat zijn om de cursussen bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet in het Nederlands te geven;

4° in staat zijn het opleidingsaanbod in de vorm van klassikaal onderwijs regionaal te spreiden als volgt: de cursussen aanbieden in minstens twee provincies;

5° naast of in combinatie met klassikaal onderwijs de mogelijkheid van “e-learning” aanbieden binnen een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van de door de Vlaamse minister bepaalde modaliteiten ervan;

6° tegelijk erkend zijn of erkend worden als opleidingsinstelling overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de wet van 15 juli 2013 betreffende het reizigersvervoer over de weg en houdende uitvoering van de verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van verordening (EG) nr. 561/2006.

§ 2. Om te kunnen worden erkend voor het organiseren van de cursussen bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet, voldoet de opleidingsinstelling die voldoet aan de in paragraaf 1 vermelde selectiecriteria, overeenkomstig het tweede lid aan de volgende gewogen erkenningscriteria:

1° een geschikte infrastructuur voor het opleiden van alle deelnemers aan de cursussen, die een gewogen waarde heeft van twintig procent;

2° het aantal docenten die de nodige scholing of beroepservaring bezitten om les te kunnen geven over alle in artikel 8, eerste lid, van de verordening (EG) nr. 1071/2009 bedoelde onderwerpen met betrekking tot het goederenvervoer over de weg alsook, in voorkomend geval, over alle krachtens artikel 13, 4°, van de wet bepaalde onderwerpen, dat een gewogen waarde heeft van twintig procent;

3° het aantal uren cursus dat de opleidingsinstelling kan geven in het geval van volledig klassikaal onderwijs dat ten minste 115 uren bedraagt, dat een gewogen waarde heeft van twintig procent;

4° de prijs waarvoor de opleiding wordt verstrekt, die de door de Vlaamse minister vastgestelde maximumprijs niet overschrijdt, die een gewogen waarde heeft van veertig procent.

Om te voldoen aan de erkenningscriteria bedoeld in het eerste lid, behaalt de opleidingsinstelling:

1° minimum 50 % van de punten voor elk gewogen erkenningscriterium bedoeld in het eerste lid;

2° minimum 70 % van de punten voor het geheel van de gewogen erkenningscriteria bedoeld in het eerste lid;

§ 3. De aanvraag tot erkenning als opleidingsinstelling wordt schriftelijk ingediend bij de Vlaamse minister of zijn gemachtigde.

Deze aanvraag bevat de volgende gegevens:

1° de identificatiegegevens van de opleidingsinstelling;

2° de stukken waaruit blijkt dat de opleidingsinstelling voldoet aan de selectiecriteria bedoeld in paragraaf 1:

a) een gedetailleerde beschrijving van de ervaring inzake opleiding in bedrijfsbeheer waarover de opleidingsinstelling beschikt;

b) een attest van goedkeuring door de examencommissie bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet van het geheel van de handboeken betreffende de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde onderwerpen;

c) elk bewijsstuk betreffende de kennis van het Nederlands waarin de docenten in staat zijn les te geven;

d) een attest van goedkeuring door de examencommissie bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet van het aangeboden programma van “e-learning” binnen een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van de door de Vlaamse minister bepaalde modaliteiten van “e-learning”;

3° de stukken waaruit blijkt hoe de opleidingsinstelling voldoet aan de gewogen erkenningscriteria bedoeld in paragraaf 2:

a) een gedetailleerde beschrijving van de beschikbare infrastructuur samen met de opgave van het maximumaantal kandidaten dat per lessencyclus zal kunnen worden aanvaard;

b) een lijst met voor alle in paragraaf 2, eerste lid, 2°, bedoelde onderwerpen de vermelding van de identiteit, het adres en de bekwaamheden van de docenten en elk bewijsstuk betreffende die bekwaamheden;

c) het aantal uren cursus dat door de docenten in het geval van volledig klassikaal onderwijs kan worden gepresteerd;

d) de prijs van de opleiding met inbegrip van de handboeken.

§ 4. De erkende opleidingsinstellingen verstrekken de cursussen bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet op het Belgische grondgebied.

De erkende opleidingsinstellingen aanvaarden de kandidaten voor de cursussen bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet in volgorde van de inschrijvingsaanvragen tot beloop van het aantal beschikbare plaatsen.

Zij houden een jaarregister bij waarin per volgnummer vermeld worden: de identiteit en het adres van de ingeschreven kandidaten, de inschrijvingsdatum en de data van de gegeven cursussen. Een kolom is voorzien voor eventuele opmerkingen.

Deze gegevens mogen ook op dragers voor informatieverwerking opgeslagen worden. De gegevens moeten gedurende zes jaar worden bewaard.

De opleidingsinstellingen die erkend werden voordat de modaliteiten inzake “e-learning” werden bepaald, beschikken over een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van de door de Vlaamse minister bepaalde modaliteiten van “e-learning” om aan het selectiecriterium bedoeld in paragraaf 1, 5°, te voldoen.

§ 5. De erkende opleidingsinstellingen brengen de Vlaamse minister of zijn gemachtigde onmiddellijk op de hoogte van elke wijziging van de gegevens die werden meegedeeld met het oog op de erkenning.

Onverminderd het eerste lid, bevestigen de opleidingsinstellingen aan de Vlaamse minister of zijn gemachtigde, om de vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de erkenning, dat er geen wijzigingen in de gegevens die werden meegedeeld met het oog op de erkenning hebben plaatsgevonden.

§ 6. De Vlaamse minister trekt de erkenning in wanneer een opleidingsinstelling:

1° niet meer voldoet aan de in de paragrafen 1 of 2 bedoelde voorwaarden;

2° de bepalingen van de paragrafen 4 of 5 niet naleeft;

3° de richtlijnen die hij of zijn gemachtigde geeft overeenkomstig de wet of dit besluit, niet opvolgt.

De verantwoordelijke van de opleidingsinstelling wordt vooraf door de Vlaamse minister of zijn gemachtigde gehoord.

De intrekking wordt, op straffe van nietigheid, per aangetekende brief aan de opleidingsinstelling meegedeeld.

Art. 7. De minister bepaalt de wijze waarop de cursussen bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet worden georganiseerd en in het bijzonder de voorwaarden om aan die cursussen deel te nemen.

De erkende opleidingsinstellingen leven de modaliteiten na betreffende de organisatie van de cursussen, zoals bedoeld in het eerste lid.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

Art. 8. § 1. Het examen bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet bestaat, behalve uit een schriftelijke proef als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de verordening (EG) nr. 1071/2009, uit een mondelinge proef als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de verordening (EG) nr. 1071/2009 die betrekking heeft op bepaalde van de in artikel 6, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde onderwerpen, uitgeloot onder die waarover geen schriftelijke proef werd afgelegd en waarvoor geen vrijstelling van examen werd bekomen.

§ 2. Alleen de geslaagden voor de schriftelijke proef, die overeenkomstig bijlage I, deel II, 1, a), van de verordening (EG) nr. 1071/2009 uit twee onderdelen zal bestaan, mogen deelnemen aan de in paragraaf 1 bedoelde mondelinge proef.

§ 3. Zowel voor elk van beide onderdelen van de schriftelijke proef als voor de mondelinge proef, mag de weging van de punten niet lager zijn dan 25 % en niet hoger zijn dan 40 % van het totaal aantal toe te kennen punten.

§ 4. Om te slagen voor het examen bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet moeten de kandidaten:

1. minstens 50 % van de punten behalen voor elk van de beide onderdelen van de schriftelijke proef,

2. minstens 50 % van de punten behalen voor de mondelinge proef en

3. minstens 60 % van de punten behalen voor het geheel van het examen.

De examencommissie bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet mag echter voor één van de onderdelen van de schriftelijke proef of voor de mondelinge proef een lager resultaat aanvaarden, zonder dat dit resultaat minder dan 40 % van het totaal van de toe te kennen punten mag bedragen.

Art. 9. § 1. De minister bepaalt de samenstelling, de bevoegdheden en de werking van de examencommissie bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet.

De voorzitter, de ondervoorzitter en de assessoren van de examencommissie worden door de minister benoemd voor een maximumduur van drie jaar. De mandaten zijn hernieuwbaar.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

§ 2. De VZW Instituut wegTransport en Logistiek België verleent een logistieke steun aan de examencommissie en neemt de vergoedingen voor haar rekening van de prestaties geleverd door de voorzitter, de secretaris en de leden van de examencommissie evenals de vergoeding van de kosten veroorzaakt wegens het vervullen van hun opdracht.

De basisvergoedingen voor de prestaties bedoeld in het eerste lid worden vastgesteld als volgt:

1° verbetering van de schriftelijke proef: 2,49 euro per examenbundel;

2° ondervraging bij de mondelinge proef: 41,03 euro per uur, ’s zaterdags en 55,95 euro per uur, ´s zondags;

3° deelneming aan de deliberatie van de examencommissie: 24,87 euro per uur;

4° uitoefenen voorzitterschap van de examencommissie: 159,15 euro per examenzitting;

5° waarnemen secretariaat van de examencommissie: 247,42 euro per examenzitting en 1,87 euro per deelnemer aan de schriftelijke proef van het examen, met een maximumbedrag van 953,64 euro.

Voor de vergoeding van de kosten veroorzaakt wegens het vervullen van hun opdracht, worden de voorzitter, de secretaris en de leden van de examencommissie gelijkgesteld met de ambtenaren van rang A3.

De in het tweede lid bedoelde basisvergoedingen worden op 1 september van elk jaar aangepast aan de evolutie van het gezondheidsindexcijfer overeenkomstig de volgende formule: basisvergoeding vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.

Voor de toepassing van het vierde lid wordt onder “nieuw indexcijfer” verstaan, het gezondheidsindexcijfer van de maand augustus die aan de aanpassing van de vergoeding voorafgaat en onder “aanvangsindexcijfer”, het gezondheidsindexcijfer van de maand augustus 2013.

§ 3. De VZW Instituut wegTransport en Logistiek België int voor haar rekening het inschrijvingsgeld voor het examen. Het bedrag van dit inschrijvingsgeld wordt door de minister vastgesteld.

§ 4. De minister bepaalt de andere modaliteiten van de organisatie van het examen bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet en in het bijzonder:

1° de weging van de punten zowel voor de beide onderdelen van de schriftelijke proef als voor de mondelinge proef;

2° de frequentie van de examenzittingen;

3° de wijze waarop het examen bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet wordt voorbereid en de voorwaarden tot deelneming aan dit examen;

4° de tuchtregeling op de examenzittingen;

5° de regels betreffende de verbetering van de proeven en de toekenning van de beoordelingscijfers;

6° de regels betreffende de mededeling van de examenresultaten.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

Afdeling 3 – Vervoersmanager

Art. 10. De onderneming moet onmiddellijk het bewijs leveren dat zij voldoet aan de voorwaarden betreffende de vakbekwaamheidseis, zoals bepaald in artikel 4 van de verordening (EG) nr. 1071/2009, telkens de minister of zijn gemachtigde haar erom verzoekt per brief, per telefax of op elektronische wijze.

Onverminderd het eerste lid moet de onderneming bij controle in haar vestiging op verzoek van de in artikel 32 van de wet bedoelde ambtenaren onmiddellijk het bewijs leveren van de daadwerkelijke en permanente leiding van de vervoerswerkzaamheden door de vervoersmanager.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

Art. 11. § 1. Een vervoersmanager aangewezen overeenkomstig artikel 4, eerste of tweede lid, van de verordening (EG) nr. 1071/2009 stelt de minister of zijn gemachtigde in kennis van:

1° de datum waarop hij heeft opgehouden de vervoerswerkzaamheden van de onderneming te leiden;

2° de datum waarop hij met de onderneming waarvan hij de vervoerswerkzaamheden leidt niet langer een reële band heeft als bedoeld in artikel 4, eerste lid, b), van de verordening (EG) nr. 1071/2009;

3° elke wijziging van zijn met de onderneming bestaande reële band als bedoeld in artikel 4, eerste lid, b), van de verordening (EG) nr. 1071/2009;

4° de datum waarop het contract bedoeld in artikel 4, tweede lid, a) en b), van de verordening (EG) nr. 1071/2009 is geëindigd;

5° elke wijziging van het contract bedoeld in artikel 4, tweede lid, a) en b), van de verordening (EG) nr. 1071/2009.

De kennisgeving moet gebeuren binnen een termijn van vijftien dagen nadat de in het eerste lid bedoelde gebeurtenis of wijziging heeft plaatsgevonden.

§ 2. De ontvangst van de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde kennisgeving wordt binnen vijftien dagen door de minister of zijn gemachtigde per brief of telefax of op elektronische wijze aan de vervoersmanager aangewezen overeenkomstig artikel 4, eerste of tweede lid, van de verordening (EG) nr. 1071/2009 en aan de onderneming bevestigd.

§ 3. De onderneming beschikt over een termijn van zes maanden vanaf de in paragraaf 1, eerste lid, 1°, 2° of 4°, bedoelde gebeurtenis om in de aanwijzing van een plaatsvervanger te voorzien.

De in het eerste lid bepaalde termijn kan door de minister of zijn gemachtigde worden verminderd tot drie maanden wanneer de vervoersmanager de vervoerswerkzaamheden minder dan één jaar heeft geleid of wanneer de reële band of het contract met de onderneming minder dan één jaar heeft geduurd.

De onderneming stelt de minister of zijn gemachtigde vóór het verstrijken van de in het eerste of het tweede lid bepaalde termijn in kennis van de aanwijzing van de nieuwe vervoersmanager op de wijze die de minister of zijn gemachtigde bepaalt.

De in het eerste lid of tweede lid bedoelde termijn is niet toepasselijk:

1° wanneer de in paragraaf 1, eerste lid, 1°, 2° of 4°, bedoelde gebeurtenis plaatsvindt vooraleer aan de onderneming een eerste vergunning werd afgegeven;

2° wanneer wordt vastgesteld dat de vervoersmanager de vervoerswerkzaamheden van de onderneming niet daadwerkelijk heeft geleid;

3° wanneer wordt vastgesteld dat de vervoersmanager met de onderneming geen reële band had zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, b), van de verordening (EG) nr. 1071/2009;

4° wanneer wordt vastgesteld dat er geen contract zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid, a) en b), van de verordening (EG) nr. 1071/2009 werd gesloten.

§ 4. De onderneming stelt de minister of zijn gemachtigde binnen een termijn van één maand in kennis van het overlijden of de lichamelijke ongeschiktheid van de vervoersmanager aangewezen overeenkomstig artikel 4, eerste of tweede lid, van de verordening (EG) nr. 1071/2009.

De minister of zijn gemachtigde zendt binnen vijftien dagen per brief, per telefax of op elektronische wijze een ontvangstbericht aan de onderneming.

De onderneming beschikt over een termijn van zes maanden, vanaf de in het eerste lid bedoelde gebeurtenis, die, op tijdig gemotiveerd verzoek, gericht aan de minister of zijn gemachtigde, kan worden verlengd met drie maanden, om in de aanwijzing van een plaatsvervanger te voorzien.

De onderneming stelt de minister of zijn gemachtigde vóór het verstrijken van de in het derde lid vermelde termijn in kennis van de aanwijzing van de nieuwe vervoersmanager op de wijze die de minister of zijn gemachtigde bepaalt.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

Afdeling 4 – Vrijstelling

Art. 12. De minister bepaalt met inachtneming van artikel 8, zevende lid, eerste alinea, van de verordening (EG) nr. 1071/2009, de eventuele vrijstellingen van het in artikel 12, eerste lid, van de wet bedoelde examen, evenals de wijze waarop een vrijstelling wordt ingeroepen.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

HOOFDSTUK 3. – Financiële draagkracht

Afdeling 1 – Bewijs

Art. 13. § 1. De financiële draagkracht van de onderneming wordt aangetoond met het bewijs van één of van meer van de volgende instellingen, waaruit blijkt dat de betrokken instelling zich hoofdelijk borg heeft gesteld voor de in artikel 7, eerste lid, van de verordening (EG) nr. 1071/2009 vastgestelde bedragen:

1° een kredietinstelling naar Belgisch recht, erkend overeenkomstig titel II van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, of een bijkantoor van een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Unie, geregistreerd overeenkomstig artikel 65 van de voornoemde wet van 22 maart 1993, of een niet in België gevestigde kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Unie en in België haar werkzaamheid verricht in het kader van het vrij verrichten van diensten, overeenkomstig artikel 66 van de voornoemde wet van 22 maart 1993;

2° een verzekeringsonderneming, erkend overeenkomstig de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;

3° een vennootschap van gezamenlijke borgstelling, aangenomen door de Minister van Financiën voor de borgtochten van ondernemers, vergunninghouders en aannemers van werken van algemeen nut.

§ 2. De financiële draagkracht kan eveneens worden aangetoond met een bericht van borgstelling in speciën uitgaande van de Deposito- en Consignatiekas.

Onverminderd de bepalingen van artikel 18, worden de gedeponeerde sommen bij de Deposito- en Consignatiekas op zijn vroegst teruggegeven negen maanden na de datum waarop de onderneming opgehouden heeft houder te zijn van een vergunning. Deze termijn van negen maanden wordt opgeschort in de gevallen en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 18, paragrafen 2 en 3.

Art. 14. De minister bepaalt de modellen van de bewijzen van hoofdelijke borgtocht die worden opgesteld door de in artikel 13, § 1, vermelde instellingen.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

Afdeling 2 – Borgtocht

Art. 15. § 1. De borgtocht dient in zijn geheel om de schulden van de onderneming te waarborgen voor zover zij opeisbaar werden tijdens de periodes bedoeld in paragraaf 2 en voor zover zij voortvloeien uit:

Vernietigd bij arrest nr. 235.400 van 11 juli 2016 (B.S. 23.08.2016)

2° de vervoersovereenkomsten, zowel de hoofdovereenkomsten als de overeenkomsten van onderaanneming, gesloten door de onderneming;

3° de niet-betaling van de retributies door de onderneming verschuldigd op grond van artikel 23 van de wet.

De borgtocht strekt zich uit tot alles wat bij de hoofdschuld en haar invordering komt.

De borgtocht dient echter niet tot waarborg van de schulden die voortvloeien uit elke operatie inzake financiering, huur en financieringshuur.

§ 2. Op de borgtocht kan slechts aanspraak worden gemaakt voor zover de schulden opeisbaar werden in de periode van 365 dagen die aan de datum van aanspraak op de borgtocht voorafgaat.

Indien een schuldeiser tegen de onderneming een rechtsvordering instelt en de hoofdelijke borg daarvan in kennis stelt, bij ter post aangetekende zending van een kopie van de akte van rechtsingang, is de in het eerste lid bedoelde periode van 365 dagen die welke voorafgaat aan de datum van die aangetekende zending.

Indien in geval van faillissement van de onderneming een schuldeiser een aangifte van schuldvordering indient en de hoofdelijke borg daarvan in kennis stelt bij aangetekende brief, is de in het eerste lid bedoelde periode van 365 dagen die welke voorafgaat aan de datum van die aangetekende brief.

Op de borgtocht kan echter nooit aanspraak worden gemaakt voor schulden:

1° die reeds opeisbaar waren vóór de datum waarop het in afdeling 1 bedoelde bewijs werd opgesteld;

2° die ontstaan zijn na de faillietverklaring van de onderneming, behalve als de rechtbank van koophandel toestemming heeft gegeven voor de voorlopige voortzetting van de handelswerkzaamheden van de gefailleerde.

Art 16. § 1. Op de borgtocht kan alleen aanspraak worden gemaakt door de houders van de in artikel 15 bedoelde schuldvorderingen, op voorwaarde dat de onder 1° of 2° bedoelde stukken per aangetekende brief worden gericht aan de hoofdelijke borg bedoeld in artikel 13:

1° een ten laste van de onderneming in België genomen, zelfs niet-uitvoerbare, rechterlijke beslissing, voortvloeiend uit een procedure waarvan de akte van rechtsingang dateert van vóór het faillissement van de onderneming;

2° een bewijs van aanvaarding van de schuldvordering in het passief van het faillissement, samen met een attest houdende bevestiging van de datum van neerlegging van het laatste proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen; deze beide documenten moeten zijn opgesteld door de curator of door de rechtbank van koophandel.

§ 2. Behoudens bij toepassing van de bepalingen van het derde lid, worden de aanspraken op de borgtocht afgehandeld volgens de datum van afgifte van de aangetekende zending gericht aan de hoofdelijke borg; de postdatum geldt daarbij als bewijs.

Behoudens bij toepassing van de bepalingen van het derde lid wordt, indien verscheidene aanspraken op dezelfde datum op de post werden afgegeven en het bedrag van de borgtocht onvoldoende is, tot een evenredige verdeling tussen de betrokken schuldeisers overgegaan.

Bij faillissement van de onderneming wordt tot dertig dagen na de datum van neerlegging van het laatste proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen:

1° voorrang gegeven aan de schuldeisers die aanspraak hebben gemaakt op de borgtocht overeenkomstig paragraaf 1, 1°;

2° tot een evenredige verdeling overgegaan tussen de schuldeisers die aanspraak hebben gemaakt op de borgtocht overeenkomstig paragraaf 1, 2°.

§ 3. De hoofdelijke borg die een aanspraak op de borgtocht niet betwist, moet de schuldeiser betalen binnen zestig dagen na ontvangst van die aanspraak, of, in het in paragraaf 2, derde lid, 2°, bedoelde geval, binnen negentig dagen na de datum van neerlegging van het laatste proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen.

Art. 17. § 1. In geval van volledige of gedeeltelijke afneming op de borgtocht:

1° geeft de hoofdelijke borg, bij aangetekende brief of op elektronische wijze, onmiddellijk kennis aan de minister of zijn gemachtigde van het bedrag van de verrichte afneming, alsook van de naam en het adres van de betrokken schuldeiser;

2° deelt de hoofdelijke borg onmiddellijk de verrichte afneming mee aan alle schuldeisers die zich schriftelijk tot hem hebben gewend;

3° zendt de minister of zijn gemachtigde een kopie van de in 1° bedoelde kennisgeving naar de betrokken schuldeiser;

4° deelt de minister of zijn gemachtigde de verrichte afneming mee aan de onderneming;

5° is de onderneming verplicht de borgtocht te herstellen of aan te vullen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de in 4° bedoelde mededeling.

Wanneer de onderneming zich in de toestand van gerechtelijke reorganisatie bevindt zoals bedoeld in de wet van 31 januari 2009 op de continuïteit van de ondernemingen, wordt die termijn van dertig dagen verlengd tot drie maanden en opgeschort tot de toestand van gerechtelijke reorganisatie is beëindigd.

§ 2. In geval de hoofdelijke borg, op eigen initiatief of op verzoek van de onderneming, beslist zich geheel of gedeeltelijk te ontdoen van zijn verplichtingen:

1° geeft de hoofdelijke borg kennis van zijn beslissing aan de minister of zijn gemachtigde, bij aangetekende brief of op elektronische wijze;

2° deelt de hoofdelijke borg onmiddellijk zijn beslissing mee aan alle schuldeisers die zich schriftelijk tot hem hebben gewend;

3° deelt de minister of zijn gemachtigde de beslissing van de hoofdelijke borg mee aan de onderneming;

4° is de onderneming verplicht de borgtocht te herstellen of aan te vullen binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van verzending van de in 3° bedoelde mededeling.

Wanneer de onderneming zich in de toestand van gerechtelijke reorganisatie bevindt zoals bedoeld in de wet van 31 januari 2009 op de continuïteit van de ondernemingen, wordt die termijn van drie maanden opgeschort tot de toestand van gerechtelijke reorganisatie is beëindigd.

§ 3. In geval de hoofdelijke borg zou beslissen de verplichtingen over te nemen van een andere hoofdelijke borg:

1° geeft de hoofdelijke borg die de verplichtingen overneemt kennis van zijn beslissing aan de minister of zijn gemachtigde, bij aangetekende brief of op elektronische wijze;

2° deelt de minister of zijn gemachtigde deze overname van verplichtingen mee aan de hoofdelijke borg wiens verplichtingen werden overgenomen;

3° deelt de hoofdelijke borg wiens verplichtingen werden overgenomen vervolgens onmiddellijk de overname van de verplichtingen, alsook de identiteit van de hoofdelijke borg die zijn verplichtingen heeft overgenomen, mee aan alle schuldeisers die zich na deze overname schriftelijk tot hem wenden.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

Art. 18. § 1. De hoofdelijke borg is, onverminderd het bepaalde in het tweede lid, bevrijd van zijn verplichtingen jegens de eventuele schuldeisers na het verstrijken van een termijn van negen maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de minister of zijn gemachtigde van deze hoofdelijke borg de aangetekende brief of het elektronische bericht, houdende kennisgeving van zijn beslissing zich geheel of gedeeltelijk van zijn verplichtingen te ontdoen, heeft ontvangen.

Nochtans kan gedurende de laatste zes maanden van de in het eerste lid bedoelde termijn slechts op de borgtocht aanspraak worden gemaakt indien de schuldvordering vóór het begin van die laatste zes maanden opeisbaar is geworden.

§ 2. Indien vóór het verstrijken van de termijn van negen maanden bedoeld in paragraaf 1, een schuldeiser tegen de onderneming een rechtsvordering instelt en de hoofdelijke borg daarvan in kennis stelt, bij aangetekende zending van een kopie van de akte van rechtsingang, wordt die termijn ten voordele van deze schuldeiser opgeschort; die termijn begint pas opnieuw te lopen vanaf de dag waarop de rechterlijke eindbeslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

§ 3. Indien bij faillissement van de onderneming een schuldeiser een aangifte van schuldvordering indient en daarvan de hoofdelijke borg, vóór het verstrijken van de termijn van negen maanden bedoeld in paragraaf 1, in kennis stelt, bij aangetekende zending van een kopie van zijn aangifte van schuldvordering, wordt die termijn ten voordele van deze schuldeiser opgeschort; die termijn begint pas opnieuw te lopen vanaf de datum van neerlegging van het laatste proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen.

§ 4. In afwijking van de paragrafen 1, 2 en 3, kan de borg niet meer rechtsgeldig worden aangesproken vanaf de datum waarop de minister of zijn gemachtigde een bewijs heeft ontvangen van een nieuwe hoofdelijke borg die verklaart de verplichtingen van de vorige borg over te nemen.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

TITEL 3. – VERGUNNINGEN

HOOFDSTUK 1. – Ondernemingen gevestigd in België – Gemeenschappelijke bepalingen voor de nationale en de communautaire vergunningen

Afdeling 1 – Aanvraag en vervanging

Art. 19. De minister of zijn gemachtigde bepaalt de wijze waarop de nationale en de communautaire vergunningen bedoeld in de artikelen 18, 19 en 20 van de wet worden aangevraagd, alsook de wijze waarop zij worden heraangevraagd na intrekking.

Onverminderd de bepalingen van artikel 21, tweede lid, bepaalt de minister of zijn gemachtigde de wijze waarop de nationale en communautaire vergunningen worden vervangen.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

Afdeling 2 – Geldigheid

Art. 20. De nationale en de communautaire vergunningen worden slechts op naam van één onderneming afgegeven en mogen niet worden overgedragen.

Art. 21. De nationale en de communautaire vergunningen zijn ongeldig:

1° wanneer zij worden gebruikt door een andere onderneming dan deze aan wie zij werden afgegeven;

2° wanneer het origineel wordt gebruikt in plaats van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift of wanneer een afschrift wordt gebruikt in plaats van het origineel;

3° wanneer de vermeldingen onleesbaar of onjuist zijn geworden;

4° wanneer een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift wordt gebruikt voor een motorvoertuig met een nummer van een kentekenplaat dat niet is opgenomen in het eRegister van wegvervoersondernemingen;

5° wanneer zij worden gebruikt voor een voertuig of sleep waarvan de totale massa in beladen toestand of waarvan de afmetingen hoger zijn dan de voor dit voertuig of deze sleep toegelaten normen of dan de normen toegelaten door het algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;

6° ingeval het gebruikte motorvoertuig wordt gehuurd of in financieringshuur wordt genomen door de houder van de vergunning:

a) wanneer de huur- of financierings-huurovereenkomst of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift ervan, met ten minste de naam van de verhuurder, de naam van de huurder, de datum en de duur van de overeenkomst, alsmede de identificatie van het voertuig, niet aanwezig is in het voertuig;

b) wanneer de bestuurder niet zelf de huurder is en daarbij in het voertuig ontbreekt:

  • voor de loontrekkenden: ofwel het origineel of een afschrift van de arbeidsovereenkomst van de bestuurder, ofwel een recent loonstrookje, ofwel een uittreksel uit de “Dimona”-databank inzake de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling;
  • voor de zelfstandige bedrijfsleiders: ofwel het bewijs van hun aansluiting bij een sociale verzekeringskas, ofwel een uittreksel uit de Kruispuntbank van Ondernemingen of een uittreksel uit de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad waaruit de bekendmaking van hun mandaat blijkt, ofwel een uittreksel uit het eRegister van wegvervoersondernemingen waaruit hun registratie als vervoersmanager blijkt;
  • voor de zelfstandige helpers: het bewijs van hun aansluiting bij een sociale verzekeringskas.

7° wanneer hun geldigheidsduur is verstreken.

De onderneming die houdster is van een nationale of communautaire vergunning moet onmiddellijk de vervanging vragen van het origineel van die vergunning en van de voor eensluidend gewaarmerkte afschriften die beschadigd zijn of waarvan de vermeldingen onleesbaar of onjuist zijn geworden. De vervangen exemplaren moeten binnen dertig dagen na ontvangst van de nieuwe exemplaren aan de minister of zijn gemachtigde worden teruggezonden.

De onderneming moet de minister of zijn gemachtigde in kennis stellen van:

1° het nummer van de kentekenplaat, bij elke ingebruikneming van een motorvoertuig waarmee de in artikel 2, 1° en 2°, van de wet bedoelde werkzaamheden worden verricht, vooraleer die werkzaamheden worden aangevat;

2° elke wijziging of schrapping van het nummer van de kentekenplaat van een motorvoertuig dat wordt of werd gebruikt om de in artikel 2, 1° en 2° van de wet bedoelde werkzaamheden te verrichten.

De onderneming die het verlies of de diefstal van het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van een nationale of communautaire vergunning vaststelt, moet dat onmiddellijk aan de minister of zijn gemachtigde ter kennis brengen; in voormeld geval kan de onderneming een duplicaat aanvragen.

De onderneming die ophoudt vervoer van goederen tegen vergoeding over de weg te verrichten moet haar nationale of communautaire vergunning binnen een termijn van één maand ter schrapping aan de minister of zijn gemachtigde terugzenden.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

Art. 22. § 1. De nationale en de communautaire vergunningen zijn geldig voor een hernieuwbare periode van vijf jaar vanaf de afgiftedatum.

De voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van de in het eerste lid bedoelde vergunningen mogen de vervaldatum van het origineel echter niet overschrijden.

§ 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 23, eerste lid, kan de minister of zijn gemachtigde, in afwijking van paragraaf 1, eerste lid, nationale en communautaire vergunningen afgeven die een geldigheidsduur hebben van minder dan vijf jaar:

1° wanneer er een ernstig risico bestaat dat zij door de onderneming zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen waaruit vermogensvoordelen kunnen voortvloeien zoals bepaald in artikel 42, 3°, van het Strafwetboek;

2° wanneer er aanwijzingen zijn dat de onderneming niet duurzaam zal voldoen aan de voorwaarden betreffende de vestigingseis of de vakbekwaamheidseis;

3° wanneer de onderneming, haar vervoersmanager of een persoon belast met het dagelijks bestuur, één of meer ernstige inbreuken heeft gepleegd zoals bepaald in artikel 8, § 1, 4°, van de wet.

§ 3. De minister of zijn gemachtigde gaat vóór de afgifte van het origineel van de nationale en communautaire vergunningen, alsook vóór de vijfjaarlijkse vernieuwing van het origineel van de vergunningen na of de onderneming voldoet aan de voorwaarden betreffende de vestigingseis, de betrouwbaarheidseis, de vakbekwaamheidseis en de eis inzake financiële draagkracht.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

Afdeling 3 – Weigering

Art. 23. De minister of zijn gemachtigde weigert de afgifte, de herafgifte en de vernieuwing van de nationale of communautaire vergunning wanneer de betrokken onderneming:

1° niet voldoet aan de voorwaarden inzake de vestigingseis, bedoeld in artikel 5 van de verordening (EG) nr. 1071/2009 en in artikel 7 van de wet;

2° niet voldoet aan de voorwaarden betreffende de betrouwbaarheidseis, bedoeld in artikel 6 van de verordening (EG) nr. 1071/2009, in titel 2, hoofdstuk 3, van de wet en in titel 2, hoofdstuk 1, van dit besluit;

3° niet voldoet aan de voorwaarden betreffende de vakbekwaamheidseis, bedoeld in artikel 4 van de verordening (EG) nr. 1071/2009, in titel 2, hoofdstuk 4, van de wet en in de artikelen 10 en 11 van dit besluit;

4° niet voldoet aan de voorwaarden betreffende de eis inzake financiële draagkracht bepaald in artikel 7 van de verordening (EG) nr. 1071/2009, in titel 2, hoofdstuk 5, van de wet en in de artikelen 13, 14, 17, § 1, 5° en § 2, 4°, van dit besluit.

De minister of zijn gemachtigde weigert de afgifte van bijkomende voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van de nationale of communautaire vergunning:

1° wanneer de vervoersmanager die in één of meer ondernemingen werd aangewezen overeenkomstig artikel 10 van de wet, hierdoor meer voertuigen zou beheren dan het toegestane maximumaantal;

2° wanneer het bedrag van de gestelde borgtocht hiertoe onvoldoende is.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

Afdeling 4 – Intrekking

Art. 24. § 1. De minister of zijn gemachtigde trekt het origineel van de nationale of communautaire vergunning in, alsook alle voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van die vergunningen, drie maanden nadat hij aan de onderneming heeft meegedeeld dat zij niet meer voldoet aan de voorwaarden inzake de vestigingseis zoals bepaald in artikel 5 van de verordening (EG) nr. 1071/2009 en in artikel 7 van de wet.

§ 2. De minister of zijn gemachtigde trekt de in paragraaf 1 bedoelde vergunningen in drie maanden nadat hij aan de betrokken onderneming heeft meegedeeld dat zij niet meer voldoet aan de voorwaarden betreffende de betrouwbaarheidseis zoals bepaald artikel 6 van de verordening (EG) nr. 1071/2009, in titel 2, hoofdstuk 3, van de wet en in titel 2, hoofdstuk 1, van dit besluit.

§ 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 11, §§ 3 en 4, trekt de minister of zijn gemachtigde de in paragraaf 1 bedoelde vergunningen in wanneer de betrokken onderneming niet meer voldoet aan de voorwaarden betreffende de vakbekwaamheidseis zoals bepaald in artikel 4 van de verordening (EG) nr. 1071/2009, in titel 2, hoofdstuk 4, van de wet en in de artikelen 10 en 11, § 1, van dit besluit.

Indien de in het eerste lid bedoelde intrekking in het bijzonder voortspruit uit de onvoldoende leiding van de vervoerswerkzaamheden door de vervoersmanager van de onderneming of uit het ontbreken van een reële band als bedoeld in artikel 4, eerste lid, b), van de verordening (EG) nr. 1071/2009 tussen de vervoersmanager en zijn onderneming, worden de vergunningen ingetrokken voor een maximumduur van vierentwintig maanden.

§ 4. Onverminderd de bepalingen van artikel 17 trekt de minister of zijn gemachtigde de in paragraaf 1 bedoelde vergunningen in, of beperkt hij ze tot het aantal voor eensluidend gewaarmerkte afschriften waarvoor de borgtocht nog voldoende is, wanneer de betrokken onderneming niet meer voldoet aan de voorwaarden betreffende de eis inzake financiële draagkracht zoals bepaald in artikel 7 van de verordening (EG) nr. 1071/2009, en in titel 2, hoofdstuk 5, van de wet.

§ 5. De minister of zijn gemachtigde trekt de in paragraaf 1 bedoelde vergunningen in voor een maximumduur van zesendertig maanden wanneer blijkt dat de onderneming of haar aangestelden of lasthebbers, onjuiste of onvolledige inlichtingen hebben verstrekt of onjuiste of onvolledige verklaringen hebben gedaan om de vergunning te verkrijgen of te behouden.

§ 6. De minister of zijn gemachtigde kan het origineel van de communautaire vergunning, alsook de voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van die vergunning, ofwel een deel van de afschriften, intrekken voor een maximumduur van vierentwintig maanden wanneer de onderneming ernstige inbreuken heeft gepleegd op de in artikel 8, § 1, 4°, van de wet bedoelde regelgevingen. De in het eerste lid bedoelde maatregel kan niet worden genomen zonder voorafgaandelijk het advies van het Overlegcomité goederenvervoer over de weg te hebben ingewonnen.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

Art. 25. In geval van intrekking van het origineel of van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van een nationale of communautaire vergunning moet de onderneming dat origineel of dat afschrift binnen tien dagen per aangetekende zending aan de minister of zijn gemachtigde terugzenden.

De in het eerste lid bedoelde termijn begint te lopen op de dag van ontvangst van de in artikel 27, § 2, bedoelde kennisgeving.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

Art. 26. De minister of zijn gemachtigde gaat vóór de herafgifte van een ingetrokken vergunning na of de onderneming voldoet aan de voorwaarden betreffende de vestigingseis, de betrouwbaarheidseis, de vakbekwaamheidseis en de eis inzake financiële draagkracht.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

Afdeling 5 – Gemeenschappelijke bepalingen voor de weigering en de intrekking van nationale of communautaire vergunningen

Art. 27. § 1. De minister of zijn gemachtigde stelt de betrokken onderneming bij aangetekende brief in de gelegenheid om haar verweermiddelen kenbaar te maken vóór elke weigering of intrekking van een nationale of communautaire vergunning. De verweermiddelen moeten, op straffe van onontvankelijkheid, worden ingediend per aangetekende brief binnen een termijn van dertig dagen. Die termijn begint te lopen vanaf de derde werkdag die volgt op de dag waarop de brief van de minister of zijn gemachtigde werd overhandigd aan de postdiensten.

§ 2. Elke weigering of intrekking van een nationale of communautaire vergunning moet, op straffe van nietigheid, aan de betrokken onderneming worden meegedeeld bij aangetekende brief.

De geadresseerde wordt vermoed de kennisgeving te hebben ontvangen op de derde werkdag die volgt op de dag waarop de brief van de minister of zijn gemachtigde werd overhandigd aan de postdiensten.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

Afdeling 6 – Retributies

Art. 28. Het bedrag van de jaarlijkse retributie, bedoeld in artikel 23 van de wet, wordt vastgesteld op 20 euro per voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de nationale of communautaire vergunning.

Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan de evolutie van het gezondheidsindexcijfer overeenkomstig de volgende formule: basisretributie vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.

Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder “basisretributie” verstaan het in het eerste lid bedoelde bedrag, onder “nieuw indexcijfer” het gezondheidsindexcijfer van de maand december die aan de aanpassing van het bedrag van de retributie voorafgaat en onder “aanvangsindexcijfer”, het gezondheidsindexcijfer van de maand december 2013.

Afdeling 7 – Statistieken

Art. 29. Elke onderneming die houdster is van een nationale of een communautaire vergunning moet de statistische gegevens verstrekken die be-trekking hebben op de in artikel 2 van de wet bedoelde werkzaamheden en die haar worden gevraagd door de minister of zijn gemachtigde of door de door hem aangewezen instellingen.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

Afdeling 8 – Uitvoering

Art. 30. De minister bepaalt:

1° de door de ondernemingen over te leggen documenten en bewijsstukken voor de eerste afgifte, de vervanging, de afgifte van een duplicaat, de herafgifte en de vernieuwing van de nationale en communautaire vergunningen;

2° het model van de nationale vergunning;

3° de wijze van inning van de retributies.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

HOOFDSTUK 2. – Ondernemingen gevestigd buiten de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en Zwitserland – Vergunning internationaal vervoer

Afdeling 1 – Gelijkstelling

Art. 31. Voor de ondernemingen die niet gevestigd zijn in een lidstaat van de Europese Unie, van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland maar wel gevestigd zijn in een Europese lidstaat van het International Transport Forum (ITF) gelden als vergunning internationaal vervoer zoals bedoeld in artikel 25 van de wet, de documenten afgegeven door de bevoegde overheden van deze staten, onder de benaming “Autorisation CEMT/ECMT Licence”; deze documenten zijn conform het model bepaald bij de resoluties van de Raad van Ministers van de Europese lidstaten van het International Transport Forum.

De in het eerste lid bedoelde documenten die gelden als vergunning internationaal vervoer moeten vergezeld gaan van het erbij horende rittenboekje en, in voorkomend geval, van de behoorlijk ingevulde attesten waaruit blijkt dat het voertuig voldoet aan de technische normen betreffende chemische vervuiling en geluidslast, alsook aan de veiligheidsnormen; die documenten zijn conform de modellen bepaald bij de resoluties van de Raad van Ministers van de Europese lidstaten van het International Transport Forum.

Afdeling 2 – Uitzonderingen

Art. 32. De gevallen waarvoor, bij gebrek aan wederkerigheid ten gunste van de in België gevestigde ondernemingen, een vergunning internationaal vervoer bedoeld in artikel 25 van de wet eveneens vereist is voor de aanhangwagens en voor het vervoer van goederen over de weg verricht voor eigen rekening worden bepaald door de bilaterale of multilaterale akkoorden die België of de Europese Unie hebben gesloten betreffende het vervoer van goederen over de weg.

De soorten van vervoer waarvoor geen vergunning internationaal vervoer bedoeld in artikel 25 van de wet of als dusdanig geldend document is vereist, worden bepaald door de bilaterale of multilaterale akkoorden die België of de Europese Unie hebben gesloten betreffende het vervoer van goederen over de weg, voor zover de onderneming is gevestigd in een van de bij deze akkoorden betrokken Staten en voor zover de onderneming voldoet aan de voorwaarden die worden bepaald door de regelgeving van deze Staat inzake het vervoer van goederen over de weg tegen vergoeding.

Art. 33. Op verzoek van de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel 32 van de wet moet de bestuurder die zich beroept op de vrijstellingen van de vergunning internationaal vervoer als bedoeld in artikel 32, tweede lid, het bewijs leveren dat:

1° de in artikel 2 van de wet bedoelde werkzaamheid voldoet aan de specifieke voorwaarden die aan de ingeroepen vrijstelling zijn verbonden;

2° de onderneming voldoet aan de door de regelgeving van het land van vestiging van de onderneming gestelde voorwaarden om vervoer van goederen over de weg tegen vergoeding te verrichten.

Afdeling 3 – Geldigheid

Art. 34. De vergunningen internationaal vervoer bedoeld in artikel 25 van de wet worden slechts op naam van een enkele onderneming afgegeven en mogen niet worden overgedragen.

Art. 35. De vergunningen internationaal vervoer zijn ongeldig:

1° wanneer zij worden gebruikt door een andere onderneming dan die aan wie zij werden afgegeven;

2° wanneer de vermeldingen onleesbaar of onjuist zijn geworden;

3° wanneer niet is voldaan aan de bepalingen van artikel 36, tweede lid;

4° wanneer zij worden gebruikt voor een voertuig of sleep waarvan de totale massa in beladen toestand of waarvan de afmetingen hoger zijn dan de voor dit voertuig of deze sleep toegelaten normen of dan de normen toegelaten door het algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.

Art. 36. De vergunning internationaal vervoer bedoeld in artikel 25 van de wet kan worden afgegeven in de vorm van:

1° ofwel een ritvergunning, geldig voor een beperkt aantal reizen en voor de duur die op de vergunning staat vermeld;

2° ofwel een termijnvergunning, geldig voor een onbeperkt aantal reizen en voor de duur die op de vergunning staat vermeld en die dertien maanden niet mag overschrijden.

Vóór het binnenrijden in België moet de bestuurder het vervoersverslag dat deel uitmaakt van de ritvergunning met inkt invullen.

Afdeling 4 – Weigering en intrekking

Art. 37. De minister of zijn gemachtigde weigert de vergunning internationaal vervoer bedoeld in artikel 25 van de wet of trekt die vergunning in:

1° krachtens de bilaterale en multilaterale akkoorden die België of de Europese Unie hebben gesloten betreffende het vervoer van goederen over de weg of krachtens bestaande akkoorden;

2° bij gebrek aan dergelijke akkoorden, indien niet of niet meer wordt voldaan aan de in artikel 25, tweede lid, 2°, van de wet bedoelde voorwaarden.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

Afdeling 5 – Uitvoering

Art. 38. De minister bepaalt:

1° de wijze van afgifte van de vergunningen internationaal vervoer bedoeld in artikel 25 van de wet;

2° het model van de vergunningen internationaal vervoer bedoeld in artikel 25 van de wet.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

HOOFDSTUK 3. – Ondernemingen gevestigd buiten de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en Zwitserland – Cabotagevergunning

Afdeling 1 – Gelijkstellingen

Art. 39. De documenten die internationaal vervoer van goederen over de weg tegen vergoeding toelaten, afgegeven door de bevoegde overheden of instanties van Staten of van internationale organisaties, gelden als cabotagevergunning zoals bedoeld in artikel 26 van de wet, indien in zulke gelijkstelling wordt voorzien door de bilaterale of multilaterale akkoorden die België of de Europese Unie hebben gesloten betreffende het vervoer van goederen over de weg en voor zover:

1° de voorwaarden en beperkingen vermeld op die documenten van kracht blijven in België;

2° onder voorbehoud van de toepassing van de voorschriften van de Europese Unie, de in België van kracht zijnde wettelijke en reglementaire bepalingen op de volgende gebieden worden toegepast op de buitenlandse ondernemingen onder dezelfde voorwaarden als die waaraan de Belgische ondernemingen worden onderworpen en op zodanige wijze dat discriminatie op grond van nationaliteit of plaats van vestiging daadwerkelijk wordt uitgesloten:

a) massa' s en afmetingen van de bedrijfsvoertuigen;

b) voorschriften inzake het vervoer van sommige categorieën van goederen, met name gevaarlijke goederen, bederfelijke levensmiddelen en levende dieren;

c) rij - en rusttijden;

d) belasting op de toegevoegde waarde op vervoersdiensten;

e) vrachtbrieven zoals bedoeld in artikel 29 van de wet.

De technische normen waaraan de voertuigen moeten voldoen die voor het verrichten van cabotage over de weg worden gebruikt, zijn echter die welke gelden voor voertuigen die tot het internationale vervoer worden toegelaten.

Afdeling 2 – Afgifte

Art. 40. De cabotagevergunningen bedoeld in artikel 26 van de wet worden, op verzoek, afgegeven overeenkomstig de bilaterale of multilaterale akkoorden betreffende het vervoer van goederen over de weg die België heeft gesloten.

Afdeling 3 – Geldigheid

Art. 41. De cabotagevergunningen bedoeld in artikel 26 van de wet worden slechts op naam van één enkele onderneming afgegeven en mogen niet worden overgedragen.

Art. 42. De cabotagevergunningen bedoeld in artikel 26 van de wet zijn ongeldig:

1° wanneer zij worden gebruikt door een andere onderneming dan deze aan wie zij werden afgegeven;

2° wanneer de vermeldingen onleesbaar of onjuist zijn geworden;

3° wanneer niet is voldaan aan de bepalingen van artikel 43, tweede lid;

4° wanneer zij worden gebruikt voor een voertuig of sleep waarvan de totale massa in beladen toestand of waarvan de afmetingen hoger zijn dan de voor dit voertuig of deze sleep toegelaten normen of dan de normen toegelaten door het algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.

Art. 43. De cabotagevergunning bedoeld in artikel 26 van de wet kan worden afgegeven in de vorm van:

1° ofwel een ritvergunning, geldig voor een beperkt aantal reizen en voor de duur die op de vergunning staat vermeld;

2° ofwel een termijnvergunning, geldig voor een onbeperkt aantal reizen en voor de duur die op de vergunning staat vermeld en die dertien maanden niet mag overschrijden.

Het vervoersverslag dat deel uitmaakt van de ritvergunning moet door de bestuurder met inkt worden ingevuld vóór de aanvang van elke reis.

Afdeling 4 – Uitvoering

Art. 44. De minister bepaalt:

1° de wijze van afgifte van de cabotagevergunningen bedoeld in artikel 26 van de wet;

2° het model van de cabotagevergunningen bedoeld in artikel 26 van de wet.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

TITEL 4. – BESTUURDERSATTEST

HOOFDSTUK 1. – Afgifte

Art. 45. De minister of zijn gemachtigde geeft een bestuurdersattest af overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 van de verordening (EG) nr. 1072/2009 aan elke onderneming die houdster is van een communautaire vergunning en die daartoe een aanvraag doet voor elke bestuurder die noch onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie, van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland, noch langdurig ingezetene in één van die Staten in de zin van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, en die zij tewerkstelt of die haar ter beschikking wordt gesteld, voor zover die bestuurder:

1° houder is van een in België afgegeven arbeidskaart, tenzij hij van deze verplichting is vrijgesteld overeenkomstig de reglementering betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;

2° geregistreerd is in de Belgische sociale zekerheid;

3° tewerkgesteld of ter beschikking gesteld is volgens de bij wet of collectieve arbeidsovereenkomst bepaalde loon- en arbeidsvoorwaarden.

HOOFDSTUK 2. – Geldigheid

Art. 46. Een bestuurdersattest wordt slechts op naam van één enkele onderneming en één enkele bestuurder afgegeven en mag niet worden overgedragen.

Een bestuurdersattest is, in voorkomend geval, geldig tot het verstrijken van de aan de bestuurder uitgereikte arbeidskaart en, in ieder geval, ten hoogste gedurende één jaar vanaf de afgiftedatum van dit attest.

Een bestuurdersattest is ongeldig:

1° wanneer de geldigheidsduur ervan is verstreken;

2° wanneer het gebruikt wordt door een andere bestuurder of onderneming dan erop is vermeld;

3° wanneer de vermeldingen onleesbaar of onjuist zijn geworden.

Wanneer een bestuurdersattest beschadigd is of wanneer de vermeldingen die erop voorkomen onleesbaar of onjuist zijn geworden, moet de onderneming het bestuurdersattest onmiddellijk ter vervanging terugzenden aan de minister of zijn gemachtigde.

De onderneming die het verlies of de diefstal van een bestuurdersattest vaststelt, moet dat onmiddellijk aan de minister of zijn gemachtigde ter kennis brengen; in voormeld geval kan de onderneming een duplicaat aanvragen.

De onderneming dient een bestuurdersattest onmiddellijk ter schrapping aan de minister of zijn gemachtigde terug te zenden:

1° wanneer zij de betreffende bestuurder niet meer tewerkstelt of deze laatste haar niet meer ter beschikking wordt gesteld;

2° wanneer de betreffende bestuurder niet meer voldoet aan de in artikel 45 bedoelde voorwaarden.

HOOFDSTUK 3. – Weigering

Art. 47. De minister of zijn gemachtigde weigert een bestuurdersattest af te geven wanneer de betrokken bestuurder niet voldoet aan de in artikel 45 bedoelde voorwaarden.

De minister of zijn gemachtigde moet de betrokken onderneming in de gelegenheid stellen om schriftelijk haar verweermiddelen kenbaar te maken vóór elke weigering van een bestuurdersattest.

De weigering van een bestuurdersattest wordt aan de betrokken onderneming meegedeeld bij aangetekende brief.

HOOFDSTUK 4. – Intrekking

Art. 48. De minister of zijn gemachtigde trekt een bestuurdersattest in:

1° wanneer de betrokken bestuurder niet meer voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 45;

2° wanneer blijkt dat de betrokken onderneming of haar aangestelden of lasthebbers onjuiste of onvolledige inlichtingen hebben verstrekt of onjuiste of onvolledige verklaringen hebben gedaan om een bestuurdersattest te verkrijgen of te behouden.

De minister of zijn gemachtigde moet de betrokken onderneming in de gelegenheid stellen om schriftelijk haar verweermiddelen kenbaar te maken vóór de intrekking van een bestuurdersattest.

De intrekking van een bestuurdersattest moet aan de betrokken onderneming worden meegedeeld bij aangetekende brief.

In geval van intrekking van een bestuurdersattest moet de onderneming het binnen tien dagen, die beginnen te lopen vanaf de derde werkdag die volgt op de dag waarop de brief van de minister of zijn gemachtigde met mededeling van de beslissing tot intrekking werd overhandigd aan de postdiensten, bij aangetekende zending aan de minister of zijn gemachtigde terugzenden.

HOOFDSTUK 5. – Uitvoering

Art. 49. De minister bepaalt de door de onderneming over te leggen documenten en bewijsstukken voor de eerste afgifte, het behoud, de vervanging, de afgifte van een duplicaat, de herafgifte en de vernieuwing van een bestuurdersattest.

TITEL 5. – VRACHTBRIEVEN

Art. 50. De minister kan voor de vrachtbrieven bedoeld in artikel 29 van de wet en bestemd voor de in België gevestigde vervoersondernemingen of voor cabotagevervoer in België bepalen:

1° de bijkomende vermeldingen die op de vrachtbrieven moeten voorkomen naast deze die worden voorgeschreven in het C.M.R.-Verdrag, vernoemd in artikel 29 van de wet;

2° het minimumaantal exemplaren waarin de vrachtbrieven moeten worden opgemaakt, alsook de bestemming van die exemplaren;

3° de verplichte modellen van vrachtbrieven;

4° de voorwaarden voor de afgifte van vrachtbrieven en de controle daarop, alsook de instellingen die gemachtigd zijn om vrachtbrieven af te geven.

Art. 50 Vlaams Gewest. De minister of de Vlaamse minister kan, ieder wat hem betreft, voor de vrachtbrieven bedoeld in artikel 29 van de wet en bestemd voor de in België gevestigde vervoersondernemingen of voor cabotagevervoer in België bepalen:

1° de bijkomende vermeldingen die op de vrachtbrieven moeten voorkomen naast deze die worden voorgeschreven in het C.M.R.-Verdrag, vernoemd in artikel 29 van de wet;

2° het minimumaantal exemplaren waarin de vrachtbrieven moeten worden opgemaakt, alsook de bestemming van die exemplaren;

3° de verplichte modellen van vrachtbrieven;

4° de voorwaarden voor de afgifte van vrachtbrieven en de controle daarop, alsook de instellingen die gemachtigd zijn om vrachtbrieven af te geven.

TITEL 6. – ADMINISTRATIEVE GELDBOETES

Art. 51. Onverminderd artikel 48, § 1, tweede lid, van de wet, zijn de wegeninspecteurs, vermeld in artikel 16 van het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, bevoegd om administratieve geldboetes op te leggen als vermeld in artikel 48 van de wet.

Art. 51 Vlaams Gewest. Onverminderd artikel 48, § 1, tweede lid, van de wet, moeten de ambtenaren die worden aangewezen voor het opleggen van de administratieve geldboetes bedoeld in artikel 47 van de wet een graad van niveau A hebben en behoren tot de dienst die bevoegd is voor het vervoer over de weg binnen de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

Art. 52. De administratieve geldboetes worden geïnd door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

De administratieve geldboete moet worden betaald binnen een termijn van één maand, te rekenen vanaf de dag van de kennisgeving van de beslissing waarbij de geldboete wordt opgelegd. Zij wordt voldaan door storting of overschrijving op de bankrekening van het bestuur dat bevoegd is voor het vervoer over de weg, met vermelding van de gestructureerde mededeling die bij de beslissing wordt gevoegd.

Art. 52 Vlaams Gewest. De administratieve geldboetes worden geïnd door de wegeninspecteurs, vermeld in artikel 16 van het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport.

De administratieve geldboete moet worden betaald binnen een termijn van één maand, te rekenen vanaf de dag van de kennisgeving van de beslissing waarbij de geldboete wordt opgelegd. Zij wordt voldaan door storting of overschrijving op de bankrekening van het bestuur dat bevoegd is voor het vervoer over de weg, met vermelding van de gestructureerde mededeling die bij de beslissing wordt gevoegd.

TITEL 7. – HET OVERLEGCOMITE GOEDERENVERVOER OVER DE WEG

Art. 53. Het Overlegcomité goederenvervoer over de weg bedoeld in artikel 52 van de wet is samengesteld uit:

1° een voorzitter;

2° maximaal zes vertegenwoordigers van het bestuur dat bevoegd is voor het goederenvervoer over de weg;

3° maximaal zes vertegenwoordigers van de meest representatieve organisaties van de ondernemers van goederenvervoer over de weg;

4° maximaal zes vertegenwoordigers van de meest representatieve organisaties van de in de ondernemingen van goederenvervoer over de weg tewerkgestelde werknemers.

Het Overlegcomité goederenvervoer over de weg komt minimaal één keer per jaar samen.

De minister bepaalt de werking van het Overlegcomité goederenvervoer over de weg.

Het Overlegcomité goederenvervoer over de weg kan de door de minister vastgestelde regels met betrekking tot zijn werking aanvullen met een huishoudelijk reglement dat door de minister wordt goedgekeurd.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.

TITEL 8. – WIJZIGINGS- EN OPHEFFINGSBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1. – Wijzigingsbepalingen – Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 19 juli 2000 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg

Art. 54. In artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 juli 2000 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg, vervangen bij het koninklijk besluit van 27 april 2007, worden de woorden “Onder de voorwaarden vastgesteld in de artikelen 32 tot 34 van de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg» vervangen door de woorden “Onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 38 tot 40 van de wet van 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg”.

In bijlage 1 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 19 juli 2013, worden de tabellen onder a) “Goederenvervoer over de weg – vergunningen”, en b) “Goederenvervoer over de weg – vrachtbrief”, vervangen door de tabellen opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

HOOFDSTUK 2. – Opheffingsbepaling

Art. 55. Opgeheven worden:

1° het koninklijk besluit van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg;

2° het koninklijk besluit van 8 mei 2002 betreffende de erkenning van de instellingen die de cursussen voor de vakbekwaamheid voor het vervoer van zaken over de weg organiseren;

3° het koninklijk besluit van 10 augustus 2009 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers die gevestigd zijn op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte worden toegelaten tot het binnenlands goederenvervoer over de weg in België;

4° het koninklijk besluit van 1 februari 2012 tot aanwijzing van de bevoegde instantie belast met de toepassing van verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad.

TITEL 9. – OVERGANGSBEPALINGEN EN INWERKINGTREDING

HOOFDSTUK 1. – Overgangsbepalingen

Art. 56. De hoofdelijke borgtochten gesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 38, § 2, van het koninklijk besluit van 5 september 1978 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg, de borgtochten gesteld overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IV van het koninklijk besluit van 18 maart 1991 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg, alsook de borgtochten gesteld overeenkomstig titel II, hoofdstuk III, van het koninklijk besluit van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg, worden, wat hun bedrag, hun toepassingsgebied en hun gevolgen betreft, gelijkgesteld met de borgtochten gesteld overeenkomstig titel II, hoofdstuk V, van de wet.

Art. 57. De afgifte, de vervanging en de vernieuwing van de nationale en de communautaire vergunning, alsook de afgifte van voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van die vergunningen, worden geweigerd aan de onderneming die in gebreke blijft alle retributies te vereffenen die zij verschuldigd was overeenkomstig artikel 33 van het koninklijk besluit van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg.

Art. 58. De vergunningen nationaal vervoer en de vergunningen communautair vervoer afgegeven overeenkomstig de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg vóór 4 december 2011, blijven geldig tot aan hun vervaldatum.

HOOFDSTUK 2. – Inwerkingtreding

Art. 59. Op 1 september 2014 treden in werking:

1° de wet van 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg;

2° dit besluit.

Art. 60. De minister bevoegd voor het Vervoer over de weg, de minister bevoegd voor Binnen-landse Zaken, de minister bevoegd voor Justitie en de minister bevoegd voor Financiën zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.