23 MAART 1998. - Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.
(B.S. 30.04.1998)

Titel I. Definities

Artikel 1

Voor de toepassing van dit besluit, dat voorziet in de omzetting van Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs, gewijzigd bij de richtlijnen 2009/113/EG van 25 augustus 2009, 2011/94/EU van 28 november 2011, 2012/36/EU van 19 november 2012, 2013/22/EU van 13 mei 2013, 2013/47/EU van 2 oktober 2013, 2014/85/EU van 1 juli 2014, 2015/653/EU van 24 april 2015, wordt verstaan onder :

1° «wet», de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968;

2° «Minister», de Minister tot wiens bevoegdheid de verkeersveiligheid behoort;

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden een punt 2°/1 en een punt 2°/2 ingevoegd, die luiden als volgt:
2°/1 Vlaamse minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het verkeersveiligheidsbeleid;
2°/2 Departement: het departement, vermeld in artikel 28, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie.
Voor wat betreft het Waals Gewest, worden twee punten 2°/1 en 2°/2 ingevoegd, luidend als volgt:
2°/1. Onder het begrip ″Waalse Minister″ wordt verstaan de Minister belast met het beleid inzake verkeersveiligheid in het Waalse Gewest;
2°/2. Onder het begrip ″Bestuur″ wordt verstaan het Operationeel Directoraat-generaal Mobiliteit en Waterwegen van de Waalse Overheidsdienst.

3° «motorvoertuig», elk zichzelf over de weg voortbewegend voertuig uitgerust met een aandrijfmotor anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen.

Worden niet beschouwd als motorvoertuig, rijwielen uitgerust met een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van maximaal 0,25 kW, waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en tenslotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen.

Voor de toepassing van dit besluit worden de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen bedoeld in artikel 2.15.2, 2° en de gemotoriseerde rijwielen bedoeld in artikel 2.15.3, van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, niet gelijkgesteld met motorvoertuigen.

4° «bromfiets», twee- of driewielige motorvoertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur als omschreven in bijlage I van verordening nr. 168/2013 van het Europees parlement en de raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers;

5° «motorfiets», elk tweewielig motorvoertuig met of zonder zijspanwagen en dat niet beantwoordt aan de bepaling van de bromfiets;

6° «driewieler met motor», elk motorvoertuig op drie symmetrisch geplaatste wielen, met een motor waarvan de cilinderinhoud meer dan 50 cm3 bedraagt, indien het een motor met inwendige verbranding betreft, en/of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/uur;

6°/1 «lichte vierwieler», vierwielige motorvoertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur als omschreven in bijlage I van verordening nr. 168/2013 van het Europees parlement en de raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers;

7° «vierwieler met motor», elk ander vierwielig motorvoertuig dan bedoeld in 6°/1, met een lege massa van ten hoogste 400 kg of 550 kg voor voertuigen die bestemd zijn voor goederenvervoer, exclusief de massa van de accu's in elektrische voertuigen, en met een nettomaximumvermogen van ten hoogste 15 kW;

8° «auto», elk motorvoertuig dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen over de weg of om voertuigen voor het vervoer van personen of goederen over de weg voort te trekken. Deze term omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een elektrische leiding en niet rijden op spoorstaven; hij heeft geen betrekking op landbouw- en bosbouwtrekkers;

9° «landbouw- en bosbouwtrekkers», elk motorvoertuig op wielen of rupsbanden, met ten minste twee assen, voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden en in het bijzonder ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde werktuigen, machines of aanhangwagens die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, en die slechts bijkomstig voor personen- of goederenvervoer over de weg of voor het trekken van voertuigen van personen- of goederenvervoer over de weg worden gebruikt;

10° “voertuig uitgerust met een handschakeling”, elk voertuig met een koppelingspedaal, of manueel bediende hendel voor de categorieën A1, A2 en A, die door de bestuurder moet worden ingedrukt om te starten, te stoppen of te schakelen;

10°/1 “voertuig uitgerust met een automatische schakeling”, elk motorvoertuig dat niet beantwoordt aan de definitie onder bepaling 10°;

11° «gewone verblijfplaats», de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.

De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats dan zijn persoonlijke bindingen heeft en daardoor afwisselend op verschillende plaatsen in twee of meer Staten verblijft, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats als zijn persoonlijke bindingen te bevinden, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt, wanneer de betrokkene voor een opdracht van een bepaalde duur in een andere Staat verblijft. Het volgen van onderwijs aan een universiteit of een school impliceert niet dat de gewone verblijfplaats is verplaatst;

12° «rijschool», elke rijschool, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen;

13° «Europees rijbewijs», elk rijbewijs bedoeld bij artikel 23, § 2, 1° van de wet, afgegeven door een Lid-Staat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte.

Voor wat betreft het Waals gewest, worden de punten 14o tot 18o ingevoegd, luidend als volgt:

14o ″risicoperceptietest″, examen op computer voor de kandidaten voor het rijbewijs van categorie B. Deze geïnformatiseerde test wil de capaciteit van de kandidaat meten om risicodragende situaties in verschillende verkeersomstandigheden te identificeren en meer bepaald om de werkelijke risicosituatie te kwalificeren. Deze test evalueert het directe observatievermogen (dichtbij, verder weg, ver kijken) en het indirecte observatievermogen (zicht door de achteruitkijkspiegels) van de kandidaat;

15o ″test over de technische rijvaardigheden″, het examen over de capaciteit van de kandidaat voor het rijbewijs van categorie B om zonder begeleider op de openbare weg te rijden volgens de nodige veiligheidsvoorwaarden tijdens zijn scholing;

16o ″bekwaamheidsgetuigschrift″ bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, attest van bekwaamheid om alleen te sturen, afgeleverd door de examencentra bedoeld in artikel 25, § 1, aan de kandidaten voor het rijbewijs van categorie B die geslaagd zijn voor de test over de technische rijvaardigheden, met het oog op het verkrijgen van een voorlopig rijbewijs zonder begeleider;

17o ″tolk″, beëdigd vertaler of vertaalsysteem, in geïnformatiseerde vorm, al dan niet digitaal, die op verzoek van de kandidaat die de Franse of de Duitse taal niet machtig is, een mondelinge vertaling in de Engelse of Nederlandse taal voorstelt, met of zonder hulp van een geluidsondersteuning voor de vragen van de testen of examens geprojecteerd op het scherm of overgemaakt door de examinatoren;

18o ″onregelmatigheid van de kandidaat voor het rijbewijs″, elke communicatie tussen de kandidaten of met derden tijdens de duur van het theoretisch examen of de risicoperceptietest, ongeacht hun organisatiewijze en de gebruikte communicatiewijze, alsook het gewoon bezit, rechtstreeks of onrechtstreeks, fysisch of elektronisch, niet uitdrukkelijk toegelaten door de examinator, van elementen van de stof die het voorwerp uitmaken van het examen of de test, alsook, meer algemeen, de niet-naleving, al dan niet opzettelijk, van een of andere instructie van de examinatoren.