15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Bijlagen

Bijlage 18bis. Andere voorschriften van toepassing op opvallende markeringen (*)

1. Aantal :

Overeenkomstig de aanwezigheid.

2. Opstelling :

De opvallende markeringen worden zo horizontaal en verticaal mogelijk aangebracht, aansluitend op de vorm, structuur, constructie en het gebruik van het voertuig.

3. Plaats :

3.1. In de breedte

3.1.1. De opvallende markering wordt zo dicht mogelijk bij de rand van het voertuig aangebracht.

3.1.2. De cumulatieve horizontale lengte van de elementen voor opvallende markering bedraagt, zoals aangebracht op het voertuig, ten minste 80 % van de totale breedte van het voertuig, met uitzondering van horizontale overlapping van afzonderlijke elementen.

3.1.3. Als de fabrikant echter tot tevredenheid van de instantie die verantwoordelijk is voor typegoedkeuring kan aantonen dat de in punt

3.1.2. bedoelde waarde niet kan worden bereikt, mag de cumulatieve lengte worden verminderd tot 60 % en wordt dit aangegeven in het mededelingenformulier en het testrapport (De voorschriften van punt 3.1.3. zijn slechts van toepassing tot en met 9 oktober 2011).

3.2. In de lengte

3.2.1. De opvallende markering wordt zo dicht mogelijk bij de uiteinden van het voertuig aangebracht en reikt tot minder dan 600 mm van ieder uiteinde van het voertuig (of de cabine in het geval van trekkereenheden voor opleggers) :

3.2.1.1. voor motorvoertuigen, ieder uiteinde van het voertuig, of in het geval van trekkers voor opleggers ieder uiteinde van de cabine;

3.2.1.2. voor opleggers, ieder uiteinde van het voertuig (exclusief de dissel).

3.2.2. De cumulatieve horizontale lengte van de elementen voor opvallende markering bedraagt, zoals aangebracht op het voertuig, met uitzondering van horizontale overlapping van afzonderlijke elementen, ten minste 80 % van :

3.2.2.1. voor motorvoertuigen, de lengte van het voertuig exclusief de cabine, of in het geval van trekkers voor opleggers, indien gemonteerd, de lengte van de cabine;

3.2.2.2. voor opleggers, de lengte van het voertuig (exclusief de dissel).

3.2.3. Als de fabrikant echter tot tevredenheid van de instantie die verantwoordelijk is voor typegoedkeuring kan aantonen dat de in punt 3.2.2. bedoelde waarde niet kan worden bereikt, mag de cumulatieve lengte worden verminderd tot 60 % en wordt dit aangegeven in het mededelingenformulier en het testrapport (De voorschriften van punt 3.2.3. zijn slechts van toepassing tot en met 9 oktober 2011).

3.3. In de hoogte

3.3.1. Lijnmarkeringen en onderste elementen van contourmarkeringen :

Zo laag mogelijk binnen het bereik :

  • Minimum : ten minste 250 mm boven het wegdek.
  • Maximum : ten hoogste 1 500 mm boven het wegdek.

Een maximumhoogte van 2 100 mm is toegestaan wanneer het door technische omstandigheden onmogelijk is aan de maximumwaarde van 1 500 mm te voldoen; of, in voorkomend geval, de voorschriften van de punten 3.1.2., 3.1.3., 3.2.2. en 3.2.3. na te leven; of aan de horizontale plaatsing van de lijnmarkering of de onderste elementen van de contourmarkering te voldoen.

3.3.2. Bovenste elementen van contourmarkeringen :

Zo hoog mogelijk, maar binnen 400 mm van de bovenkant van het voertuig.

4. Zichtbaarheid :

De opvallende markering wordt als zichtbaar beschouwd wanneer ten minste 80 % van het lichtdoorlatende gedeelte van de markering zichtbaar is voor een waarnemer op enig punt binnen onderstaande waarnemingsvlakken :

4.1. voor opvallende markeringen aan de achterkant (zie punt 7, fig. 1) staat het waarnemingsvlak loodrecht op de lengteas van het voertuig, bevindt het zich op 25 m van het uiteinde van het voertuig en is het begrensd door :

4.1.1. in de hoogte door twee horizontale vlakken respectievelijk op 1 m en op 3 m boven de grond,

4.1.2. in de breedte door twee verticale vlakken die een hoek van 15° naar buiten vormen ten opzichte van het middenlangsvlak van het voertuig en die door het snijpunt gaan van de verticale vlakken evenwijdig aan het middenlangsvlak en de grootste breedte van het voertuig afbakenen, en het vlak loodrecht op de lengteas van het voertuig dat het uiteinde van het voertuig afbakent;

4.2. Voor opvallende markeringen aan de zijkant (zie punt 7, fig. 2) is het waarnemingsvlak evenwijdig aan het middenlangsvlak van de voertuigen, bevindt het zich op 25 m van het punt van de grootste breedte van het voertuig en is het begrensd door :

4.2.1. in de hoogte door twee horizontale vlakken respectievelijk op 1 m en op 3 m boven de grond,

4.2.2. in de breedte door twee verticale vlakken die een hoek van 15° naar buiten vormen ten opzichte van een vlak loodrecht op de lengteas van het voertuig en die door het snijpunt gaan van de verticale vlakken loodrecht op de lengteas van het voertuig en de totale lengte en het punt van de grootste breedte van het voertuig afbakenen.

5. Richting :

5.1. Aan de zijkant :

Zo evenwijdig mogelijk aan het middenlangsvlak van het voertuig, aansluitend op de vorm, structuur, constructie en het gebruik van het voertuig.

5.2. Aan de achterkant :

Zo evenwijdig mogelijk aan het dwarsvlak van het voertuig, aansluitend op de vorm, structuur, constructie en het gebruik van het voertuig.

6. Andere voorschriften :

6.1. Opvallende markeringen worden als doorlopend beschouwd als de afstand tussen naastgelegen elementen zo klein mogelijk is en niet meer dan 50 % van de lengte van het kortste naastgelegen element bedraagt.

6.2. In het geval van gedeeltelijke contourmarkering wordt iedere bovenhoek beschreven door twee lijnen op 90° ten opzichte van elkaar en ieder ten minste 250 mm lang.

6.3. De afstand tussen de opvallende markering aan de achterkant van een voertuig en ieder verplicht stoplicht moet ten minste 200 mm bedragen.

6.4. Wanneer achtermarkeringsplaten overeenkomstig wijzigingenreeks 01 van Reglement nr. 70 houdende uniforme voorschriften voor de goedkeuring van de achtermarkeringsplaten voor zware en lange voertuigen, houdende addendum 69 aan de Overeenkomst van Geneve van 20 maart 1958, betreffende de goedkeuring van eenvormige technische voorschriften voor voertuigen, materialen en onderdelen ervan en de voorwaarden voor wederkerige erkenning van de goedkeuring die op basis van deze voorschriften wordt verleend, herzien op 10 november 1967 en op 16 oktober 1995, zijn geïnstalleerd, mogen deze naar keuze van de fabrikant van het voertuig als deel van de opvallende markering aan de achterkant worden beschouwd bij de berekening van de lengte van de opvallende markering en de nabijheid tot de zijkant van het voertuig.

6.5. De locaties voor opvallende markeringen worden zodanig gekozen dat markeringen van ten minste 60 mm breed kunnen worden aangebracht.

7. Zichtbaarheid van opvallende markeringen aan de achter- en zijkant van een voertuig

(*) De tekst stemt overeen met de punten 6.21.2 tot 6.21.7.5 van Reglement nr. 48 houdende uniforme voorschriften betreffende de goedkeuring van voertuigen inzake de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen, dat het addendum 47 vormt bij de Overeenkomst van Genève van 20 maart 1958, herzien op 10 november 1967 en op 16 oktober 1995, betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen.