15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk VII: Inrichting

Artikel 70. Blustoestellen en gevaarsdriehoeken

Blustoestellen
Gevaarsdriehoeken

§1. Blustoestellen.

1° a) In de auto's in gebruik genomen vanaf 1 februari 2002 bevindt zich een blustoestel overeenstemmend met een Belgische norm betreffende blustoestellen of met een door een andere EU-lidstaat aanvaarde norm betreffende blustoestellen die een evenwaardig veiligheidsniveau inhoudt, en met de voorschriften van dit artikel. Het blustoestel dient voorzien te zijn van deze normaanduiding.

     b) In de auto's in gebruik genomen vóór 1 februari 2002 bevindt zich een blustoestel overeenstemmend met hetzij de normen NBN S 21-011/017, gepubliceerd door het Belgisch Instituut voor Normalisatie, hetzij met een andere Belgische norm betreffende blustoestellen of met een door een andere EU-lidstaat aanvaarde norm betreffende blustoestellen die een evenwaardig veiligheidsniveau inhoudt, en met de voorschriften van dit artikel. Het blustoestel dient voorzien te zijn van deze normaanduiding.

Het blustoestel moet een capaciteit hebben in verhouding tot de categorie waartoe het te beschermen voertuig behoort. De blustoestellen moeten minstens de hieronder beschreven hoeveelheden bevatten :

Auto's waarvan de hoogste toegelaten massa :

  poeder BC  of ABC
- niet meer bedraagt dan 3.500 kg 1 kg
- meer dan 3.500 kg doch niet meer dan 7.500 kg bedraagt 2 kg
- meer dan 7.500 kg bedraagt 3 kg

 

Er moet zich een supplementair, aan dezelfde voorwaarden voldoend blustoestel bevinden :

a) in de auto's ingericht voor het vervoer van personen en waarvan de maximale toegelaten massa meer bedraagt dan 5.000 kg;

b) in de auto's gebezigd voor het trekken van een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 2.500 kg, ofwel in deze laatste;

De voertuigen voor traag vervoer moeten evenwel niet voorzien zijn van een supplementair blustoestel.

Onderhavige § 1 is niet van toepassing op de voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren waarvoor de voorschriften van bijlage B bij het ADR ten minste één brandblusapparaat vereisen.

De blustoestellen moeten op een steun staan en op een in het oog vallende en gemakkelijk te bereiken plaats zijn aangebracht. Ten minste één blustoestel moet zich binnen het bereik van de bestuurder bevinden. De blustoestellen moeten bedrijfswaardig zijn.

De steun van het blustoestel moet aan het voertuig zijn vastgemaakt en het afnemen van het toestel van zijn steun mag niet meer dan 10 seconden in beslag nemen.

De inrichting voor het in werking stellen van het blustoestel moet verzegeld zijn door middel van een metalen of plastieken draad en een verzegeling (vb loodje) waarop de slagstempel van de fabricant voorkomt.

Voor de voertuigen die ingeschreven zijn onder een aan het Ministerie van Landsverdediging voorbehouden plaatnummer, mag het loodje echter de slagstempel van een legereenheid dragen.

Elke blustoestel waarvan de verzegeling niet intakt is, wordt niet meer geacht te voldoen aan voornoemde normen.

De geldigheidsduur moet op de romp van het blustoestel worden aangebracht. Deze geldigheidsduur wordt aangeduid op een etiket of label van de fabrikant waarop volgende vermelding voorkomt "Geldig tot 1 januari yyyy (jaartal)". Wanneer de geldigheid verstreken is, wordt het blustoestel niet meer geacht te voldoen aan voornoemde normen.

10° Elk blustoestel moet kunnen werken in vertikale toestand, zonder het toestel om te draaien en de bedieningsorganen moeten zich op het bovenste gedeelte van de romp van het blustoestel bevinden gedurende zijn werking.

11° De bepalingen van § 1 van dit artikel zijn niet van toepassing op de voertuigen waarvan door de burgerlijke bescherming en de brandweerkorpsen gebruik gemaakt wordt.

12° De blustoestellen met een capaciteit groter dan 3 kg moeten dezelfde inrichting voor inwerkinstelling hebben als de blustoestellen met een capaciteit van 9 kg.

§2. Gevaarsdriehoeken.

Een gevaarsdriehoek, gebruikt voor het signaleren van een geïmmobiliseerd voertuig of van een op de openbare weg gevallen lading, moet zich aan boord van elke auto bevinden.

De eisen waaraan de gevaarsdriehoeken moeten voldoen worden door Ons bepaald.

In afwijking van de bepalingen van 2°, mogen de auto's waarvoor de aanvraag om goedkeuring werd ingediend vóór 1 januari 1977 voorzien zijn van een gelijkzijdige gevaarsdriehoek, die een rode rand en ten minste 40 cm zijde heeft. De rode randen zijn voorzien van reflecterende producten en ten minste 5 cm breed. Het centraal gedeelte mag zonder achtergrond zijn ofwel een witte achtergrond hebben.