1 DECEMBER 1975. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.
[BS 09.12.1975]

Titel II: Regels voor het gebruik van de openbare weg

Artikel 45bis. Lading van de voertuigen: specifieke voorschriften (enkel Vlaams Gewest)

§ 1. Dit artikel is van toepassing op de volgende voertuigcategorieën, vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen:

1° categorie N2;

2° categorie N3;

3° categorie O3;

4° categorie O4;

5° categorie T, met een door het ontwerp bepaalde maximumsnelheid van meer dan 40 km/u.

Dit artikel is niet van toepassing op voertuigen en samenstellen van voertuigen die uitsluitend worden gebruikt door kermiskramers en die eigen zijn aan dat beroep.

§ 2. De bestuurder van een voertuig mag zijn voertuig niet gebruiken als het ladingzekeringssysteem van de in of op het voertuig vervoerde lading niet in overeenstemming is met de voorwaarden, vermeld in paragraaf 4.

De bestuurder van een voertuig moet:

1° een visuele controle uitvoeren om zich ervan te vergewissen dat de achterste laaddeuren, de inklapbare laadklep, de deuren, de dekzeilen, het reservewiel en de andere uitrustingen die te maken hebben met het gebruik van het voertuig, zijn vastgezet;

2° zich ervan vergewissen dat de lading geen hinder vormt voor het veilig besturen van het voertuig;

3° zich ervan vergewissen dat het zwaartepunt van de lading zoveel mogelijk gecentreerd wordt op het voertuig.

§ 3. In deze paragraaf wordt verstaan onder laadeenheid: een hoeveelheid goederen die zodanig is gebundeld of op een andere wijze bijeen is gebracht dat de behandeling, de stapeling en de opslag als één verpakkingseenheid kan plaatsvinden.

Als de primaire verpakking of laadeenheid van een goed beschadigd is of niet voldoende stevig is voor een veilig transport van de goederen, moet de verpakker en/of verlader de goederen bijkomend omhullen met een transportverpakking die onbeschadigd en stevig genoeg is om een afdoende ladingzekering mogelijk te maken.

De verlader bezorgt de vervoerder waarop hij een beroep doet vooraf schriftelijk alle informatie die de vervoerder nodig acht om de goederen te stouwen. Die informatie bestaat minstens uit:

1° de aard van de laadeenheid;

2° de massa van de lading en elke laadeenheid;

3° de positie van het zwaartepunt van elke laadeenheid als die niet in het midden ligt;

4° de buitenafmetingen van elke laadeenheid;

5° de beperkingen voor het stapelen en de richting die tijdens het vervoer moet worden toegepast;

6° de wrijvingsfactor van de goederen, als die niet is opgenomen in bijlage B van EN 12195:2010 of in de bijlage van de normen IMO/UNECE/ILO;

7° alle aanvullende informatie die vereist is voor de juiste zekering.

Als de verlader de vervoerder de opdracht geeft om containers of wissellaadbakken te vervoeren, verstrekt de verlader aan de vervoerder een verklaring waarin het gewicht van de vervoerde containers of wissellaadbakken wordt vermeld.

De vervoerder verschaft toegang tot alle ter zake doende documentatie van de verlader aan de bevoegde personen in het kader van een controle.

Tenzij op voorhand en schriftelijk anders wordt overeengekomen moet aan al de volgende voorwaarden voldaan zijn:

1° de vervoerder voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) hij voorziet een voertuig dat geschikt is voor de lading waarvoor hij is gecontracteerd;
b) hij biedt op de plaats van laden een voertuig aan dat schoon en zonder structurele schade is;
c) hij staat in voor het bevestigen van de container op het chassis;
d) hij zekert de lading conform dit artikel;

2° de verpakker voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) hij beschrijft de goederen. Die beschrijving bevat minstens de informatie, vermeld in het derde lid;
b) als de kans bestaat dat de goederen beschadigd worden door spanbanden, beschrijft hij een alternatieve methode voor het zekeren van de goederen. Als die alternatieve methode specifieke eisen stelt aan het gebruikte voertuig, worden die vermeld;

3° de verlader voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) hij staat in voor de verdeling van de lading over de laadvloer;
b) hij respecteert de maximale toelaatbare massa en de aslasten van het voertuig;
c) hij verstrekt de informatie, vermeld in het derde en vierde lid;
d) hij maakt een correcte zekering mogelijk;

4° de verzender voorziet in alle nodige documenten, met daarin minstens:

a) een correcte beschrijving van de goederen;
b) de massa van de totale lading;
c) alle informatie die nodig is voor de juiste verpakking;
d) de kennisgeving aan de verpakker en/of vervoerder van ongewone transportparameters bij individuele verpakkingen.

§ 4. Het ladingzekeringssysteem moet de krachten kunnen weerstaan die worden uitgeoefend als het voertuig de volgende versnellingen of vertragingen ondergaat:

1° 0,8 g in voorwaartse richting;

2° 0,5 g in achterwaartse richting;

3° 0,5 g in zijdelingse richting, aan beide zijden.

Als een samenstellend onderdeel van een ladingzekeringssysteem onderworpen wordt aan een kracht als vermeld in het eerste lid, mag de erop uitgeoefende drukkracht de maximale nominale last van dat onderdeel niet overschrijden.

De samenstellende onderdelen van een ladingzekeringssysteem van een voertuig voldoen aan al de volgende voorwaarden:

1° ze moeten correct functioneren;

2° ze moeten geschikt zijn voor het gebruik dat ervan wordt gemaakt;

3° ze mogen geen knopen, beschadigde of verzwakte elementen vertonen die de werking ervan met het oog op het zekeren van de lading kunnen aantasten;

4° ze mogen geen scheuren, sneden of uitrafelingen vertonen;

5° ze moeten conform de daarvoor geldende Europese en/of internationale productnormen zijn.

Het ladingzekeringssysteem dat wordt gebruikt om een lading in of op een voertuig te omsluiten, vast te zetten of tegen te houden, moet geschikt zijn voor de afmetingen, de vorm, de stevigheid en de kenmerken van de lading.

Het ladingzekeringssysteem kan opgebouwd zijn uit een enkelvoudige of gecombineerde toepassing van ladingzekeringssystemen.

Het omvallen of het kantelen van de lading wordt voorkomen.

Voor het vastzetten van de lading wordt gebruikgemaakt van een of meer van de volgende bevestigingsmethodes:

1° opsluiten;

2° vergrendelen (plaatselijk/overal);

3° direct vastzetten;

4° neersjorren.

§ 5. De stouwvoorziening of de geïntegreerde vergrendelvoorziening die wordt gebruikt om een lading aan een voertuig vast te maken, wordt zelf zodanig gezekerd dat ze niet ontgrendeld kan raken of kan loskomen.

De stouwvoorziening of de geïntegreerde vergrendelvoorziening die wordt gebruikt om een lading in of op een voertuig vast te zetten, moet voldoen aan al de volgende voorwaarden:

1° ze is ontworpen en vervaardigd voor de doeleinden waarvoor ze wordt gebruikt;

2° ze wordt gebruikt en onderhouden in overeenstemming met de specificaties van de fabrikant en de geldende Europese en/of internationale normen.

§ 6. Voor een lading die op een voertuig omsloten, vastgezet of gestouwd wordt in overeenstemming met de richtsnoeren voor Europese beste praktijken over het zekeren van lading voor vervoer over de weg, geldt dat het ladingzekeringssysteem voldoet aan de eisen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid.

De zekeringsmethoden en –middelen zijn in overeenstemming met de meest recente versie van de onderstaande normen:

Norm Onderwerp
EN 12195-1 Berekening van de sjorkrachten
EN 12640 Sjorpunten
EN 12642 Sterkte van de structuur van de laadvloer
EN 12195-2 Sjorbanden gemaakt van kunstvezels
EN 12195-3 Sjorkettingen
EN 12195-4 Sjorstaalkabels
ISO 1161, ISO 1496 ISO-container
EN 283 Wissellaadbakken
EN 12641 Dekzeilen
EUMOS 40511 Palen – Rongen
EUMOS 40509 Vervoer - Verpakking