7 MEI 1999. - Ministerieel besluit betreffende het signaleren van werken en verkeersbelemmeringen op de openbare weg.
[21.05.1999]

Hoofdstuk I. Signaleren van werken

Artikel 4. Werken van 3e categorie

4.1. Werken die het verkeer sterk hinderen
4.2. Werken die het verkeer weinig hinderen

4.1. Werken die het verkeer sterk hinderen.

Het betreft de werken die op welke plaats ook, zo breed zijn dat ten minste een rijstrook of de breedte van een rijstrook onttrokken wordt aan het verkeer op de rijbaan.

1° Signalisatie op afstand :

a) Het verkeersbord A31 wordt geplaatst op ongeveer 150 m van de inrichting aangebracht op de plaats waar het werk begint.

A31

Deze afstand mag aangepast worden aan de plaatsgesteldheid; in dat geval wordt dit verkeersbord aangevuld met een onderbord van het type I van bijlage 1 bij dit besluit.

b) Verkeersborden van het model F79 tot F85 mogen gebruikt worden.

F79 F81 F83 F85

c) Indien de plaatsgesteldheid het vereist, mag een verkeersbord C43 dat de snelheid beperkt tot 30 km/h, geplaatst worden.

d) De inrichting van type I van bijlage 3 bij dit besluit mag worden geplaatst. In dit geval worden de verkeersborden A31 en C43 opgenomen in de inrichting.

C43 A31

2° Signalisatie ter plaatse aan het begin van het werk :

a) Een inrichting van bijlage 4 bij dit besluit wordt geplaatst aan het begin van het werk.

Een verkeersbord D1 waarvan de pijl onder een hoek van ongeveer 45° naar beneden gericht is, wordt geplaatst boven het hek; de onderrand van het verkeersbord bevindt zich op ten minste 1,50 m boven de grond. Een oranjegeel knipperlicht wordt boven dit verkeersbord geplaatst.

D1

Over de ganse breedte van het hek worden oranjegele knipperlichten vastgemaakt met een tussenafstand van ten hoogste 1 m. Het aantal lichten mag niet kleiner zijn dan drie.

b) Indien om een of andere reden het hek niet helemaal de toegang verhindert tot de rijbaan of tot het gedeelte van de rijbaan dat aan het verkeer onttrokken is, worden tijdens de dag verkeerskegels geplaatst in het verlengde van het hek, ten einde gans het gedeelte van de openbare weg dat voor de weggebruikers ontoegankelijk gemaakt is, afdoende aan te duiden.

c) Indien op het gedeelte van de rijbaan dat nog toegankelijk is voor het verkeer, dat verkeer slechts toegelaten wordt in één richting, wordt boven het hek, geplaatst aan het tegenovergestelde uiteinde van het werk en dat het verkeer op dit gedeelte van de rijbaan verhindert, in het midden een verkeersbord C1 aangebracht, waarvan de onderrand zich op ten minste 1,50 m boven de grond bevindt. Een oranjegeel knipperlicht wordt boven dit verkeersbord geplaatst.

C1

d) Indien de opstelling van het werk zo is dat het verkeer op de rijbaan in de twee richtingen verboden is, wordt boven het hek, geplaatst aan elk van de uiteinden van het werk, in het midden een verkeersbord C3 aangebracht, eventueel aangevuld met een onderbord "UITGEZONDERD PLAATSELIJK VERKEER" van het type II van bijlage 1 bij dit besluit; de onderrand van dit verkeersbord bevindt zich op ten minste 1,50 m boven de grond. Een oranjegeel knipperlicht wordt boven het verkeersbord geplaatst.

C3

e) De inrichting bedoeld onder a) mag vervangen worden door of aangevuld met de inrichting van type I van bijlage 3 bij dit besluit waarop het verkeersbord D1 is aangebracht.

D1

3° Zijdelingse signalisatie :

De zijdelingse afbakening wordt aangebracht door een van de middelen van type II van bijlage 2 bij dit besluit.

Wanneer verkeerskegels worden gebruikt, hebben zij een hoogte van ten minste 0,40 m.

Deze afbakeningsmiddelen zijn ten hoogste 30 m van elkaar verwijderd; zij zijn voorzien van een verlichting met witte of geelachtige lampen.

4° Signalisatie van het einde van het werk :

a) Het verkeersbord F47 en de verkeersborden die het einde van een verbod aanduiden, worden geplaatst op ten hoogste 25 m voorbij het einde van het werk, of voorbij het laatste afbakeningsmiddel.

F47

b) Op ten hoogste 50 m voorbij het werk plaatst de aannemer een bord waarop in het geel, op een zwarte achtergrond, de naam staat van de verantwoordelijke voor de signalisatie en diens telefoonnummer.

De letters en cijfers op dit bord hebben een hoogte van ten minste 0,06 m.

4.2. Werken die het verkeer weinig hinderen.

Het betreft de werken die op welke plaats ook, zo breed zijn dat minder dan een rijstrook of minder dan de breedte van een rijstrook onttrokken wordt aan het verkeer op de rijbaan, alsook deze die ingeplant zijn buiten de rijbaan maar die het verkeer op die rijbaan beïnvloeden.

1° Signalisatie op afstand :

a) Het verkeersbord A31 wordt geplaatst op ongeveer 150 m van de inrichting, aangebracht op de plaats waar het werk begint.

A31

Deze afstand mag aangepast worden aan de plaatsgesteldheid; in dit geval wordt dit verkeersbord aangevuld met een onderbord van het type I van bijlage 1 bij dit besluit.

b) Verkeersborden van het model F79 tot F85 mogen gebruikt worden.

F79 F81 F83 F85

c) Indien de plaatsgesteldheid het vereist, mag een verkeersbord C43 dat de snelheid beperkt tot 30 km/h geplaatst worden.

d) De inrichting van type I van bijlage 3 bij dit besluit mag worden geplaatst. In dit geval, worden de verkeersborden A31 en C43 opgenomen in de inrichting.

C43 A31

2° Signalisatie ter plaatse aan het begin van het werk :

Een inrichting van bijlage 4 bij dit besluit wordt geplaatst aan het begin van het werk.

Indien minstens een gedeelte van het werk op de rijbaan ligt, wordt een verkeersbord D1 waarvan de pijl onder een hoek van ongeveer 45° naar beneden gericht is, geplaatst boven de inrichting; de onderrand van het verkeersbord bevindt zich op ten minste 1,50 m boven de grond.

Een oranjegeel knipperlicht wordt boven dit verkeersbord geplaatst.

D1

Over de ganse breedte van het hek worden oranjegele knipperlichten vastgemaakt met een tussenafstand van ten hoogste 1,00 m. Het aantal lichten mag niet kleiner zijn dan drie.

Deze inrichting mag vervangen worden door of aangevuld met een inrichting van type I van bijlage 3 bij dit besluit waarop het verkeersbord D1 is aangebracht.

D1

3° Zijdelingse signalisatie :

a) De zijdelingse afbakening wordt aangebracht door een van de middelen van type II van bijlage 2 bij dit besluit.

Wanneer verkeerskegels worden gebruikt, hebben zij een hoogte van ten minste 0,40 m.

Deze afbakeningsmiddelen zijn ten hoogste 30 m van elkaar verwijderd; zij zijn voorzien van een verlichting met witte of geelachtige lampen.

b) Indien de inplanting van het werk de voetgangers, de fietsers en de bestuurders van tweewielige bromfietsen noodzaakt om het trottoir of het fietspad te verlaten en de rijbaan te volgen, wordt een gang aangebracht langsheen het volledige werk van :

  • ten minste 1,50 m wanneer slechts één van de categorieën van weggebruikers er moet gebruik van maken;
  • ten minste 2 m wanneer zowel voetgangers, fietsers als bestuurders van tweewielige bromfietsen er samen moeten gebruik van maken. Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden de plaatsgesteldheid dit niet toelaat, mag de breedte van de gang teruggebracht worden tot 1 m.

In dit geval wordt :

  • de afbakening die het verkeer van de voetgangers, de fietsers en de bestuurders van tweewielige bromfietsen scheidt van dat van de andere weggebruikers, aangebracht en verlicht, overeenkomstig de bepalingen van a) hierboven;
  • de afbakening die het verkeer van de voetgangers, de fietsers en de bestuurders van tweewielige bromfietsen scheidt van het werk zelf, aangebracht over de volledige lengte, hetzij door een voldoende stevige inrichting, hetzij door een beschermnet, en op gepaste manier verlicht.

4° Signalisatie van het einde van het werk :

a) Het verkeersbord F47 en de verkeersborden die het einde van een verbod aanduiden, worden geplaatst op ten hoogste 25 m voorbij het einde van het werk of voorbij het laatste afbakeningsmiddel.

F47

b) Op ten hoogste 30 m voorbij het werk plaatst de aannemer een bord waarop in het geel, op een zwarte achtergrond, de naam staat van de verantwoordelijke voor de signalisatie en diens telefoonnummer.

De letters en cijfers op dit bord hebben een hoogte van ten minste 0,06 m.