11 OKTOBER 1976. - Ministerieel besluit houdende de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens.
[B.S. 14.10.1976]

Artikel 1. Algemene bepalingen

1.1. Alleen de verkeerstekens bepaald in het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer mogen gebruikt worden om de weggebruikers de aanwijzingen te geven waarop zij betrekking hebben.

Het is verboden verkeerstekens voor andere doeleinden te gebruiken.

1.2. Op verkeerstekens noch op hun steunen mag een vermelding voorkomen of aangebracht worden die met het doel daarvan niets te maken heeft.

De aanwijzingsborden F43 en F57 mogen evenwel de naam vermelden van de schenker, op voorwaarde dat die vermelding niet meer dan een zesde van de oppervlakte van het bord beslaat.

F43     F57

1.3. De verkeerslichten en de verkeersborden moeten zodanig worden geplaatst dat zij de weggebruikers zo weinig mogelijk hinderen.

1.3 Waals Gewest. De verkeersborden en hun dragers moeten zodanig worden geplaatst dat ze de weggebruikers zo min mogelijk storen, zowel door hun plaatsing als door hun aantal.

De borden moeten zodanig worden geplaatst dat ze tijdig kunnen worden gezien en niet door obstakels worden verstopt.

Aangelegd buiten de rijbaan bedraagt de afstand tussen de rand van de rijbaan en de dichtstbijzijnde zijde van het verkeersbord ten minste 0,3 m binnen de bebouwde kom en ten minste 0,5 m buiten de bebouwde kom.

Behalve plaatselijke omstandigheden staat de onderste rand van de borden:

1° op 1,5 m boven de grond op snelwegen;

2° op 1 m boven de grond buiten de bebouwde kom op de bermen die niet door voetgangers worden gebruikt en waar geen parkeerruimte is;

3° op 1 m boven de grond wanneer de borden enkel voor fietsers bestemd zijn;

4° op 0,5 m boven de grond op de verkeerseilanden en centrale inrichtingen van rotondes;

5° op ten minste 4,6 m boven de grond wanneer de borden boven de rijbaan worden opgehangen;

6° op ten minste 2,5 m boven de grond wanneer de borden boven een openbare weg of een deel van een openbare weg gebruikt door fietsers worden opgehangen;

7° op tenminste 2,2 m boven de grond in de andere gevallen.

De hoogte van installatie van de in lid 4 bedoelde borden kan worden gewijzigd rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, zoals het garanderen van een betere zichtbaarheid van de borden, het vermijden dat de borden het verkeer verstoppen, het rekening houden met voertuigen die deze kunnen verstoppen, het minimaal belemmeren van het verkeer van weggebruikers zoals fietsers en voetgangers, tijdelijke verkeersborden.

Deze website wenst cookies te gebruiken om uw surfervaring te verbeteren. Door op “Ok” te klikken, aanvaardt u het gebruik van deze cookies voor deze doeleinden.