16 MAART 1968. - Wet betreffende de politie over het wegverkeer.
[B.S. 27.03.1968]

Titel V: Strafvordering, bevel tot betaling en burgerlijke rechtsvordering

Hoofdstuk II/1 : Bevel tot betalen

Artikel 65/1

§ 1. Wanneer zowel de in artikel 65, § 1, bedoelde som als de in artikel 216bis, § 1, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde geldsom niet binnen de bepaalde termijn worden betaald, kan de procureur des Konings aan de overtreder een bevel geven tot betalen van de op deze overtreding toepasselijke geldsom, verhoogd met 35 % en desgevallend met de bijdrage voor het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders.

De betaling moet gebeuren binnen een termijn van dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van het bevel.

Dit bevel wordt per aangetekende zending, per gerechtsbrief of overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek verstuurd aan de overtreder en bevat ten minste :

1° de dagtekening;

2° de ten laste gelegde feiten en de geschonden wetsbepalingen;

3° de datum, het tijdstip en de plaats van de overtreding;

4° de identiteit van de overtreder;

5° het nummer van het proces-verbaal;

6° het bedrag van de te betalen geldsom;

7° de dag waarop de som uiterlijk moet worden betaald;

8° de wijze waarop en de termijn waarbinnen het beroep kan worden ingesteld, alsook de bevoegde politierechtbank.

Het bevel tot betalen wordt geacht te zijn ontvangen de derde werkdag na de dag van de afgifte van de aangetekende zending of gerechtsbrief aan de post.

§ 2. De overtreder of diens advocaat kan binnen de dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van het bevel tot betalen beroep aantekenen bij de bevoegde politierechtbank. Het beroep wordt ingesteld bij een verzoekschrift dat neergelegd wordt op de griffie van de bevoegde politierechtbank of bij een aangetekende zending of via elektronische post die aan de griffie worden verzonden. In die laatste gevallen geldt de datum van verzending van de aangetekende zending of van de elektronische post als datum waarop het verzoekschrift werd ingediend.

Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Op straffe van onontvankelijkheid vermeldt het verzoekschrift het nummer van het proces-verbaal.

Het verzoekschrift wordt ingeschreven in het daartoe bestemde register.

De verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de dag dat het verzoekschrift wordt ingediend, tot de dag dat het definitief vonnis wordt gewezen.

De overtreder wordt binnen een termijn van dertig dagen vanaf de inschrijving in het daartoe bestemde register door de griffier per gerechtsbrief of per aangetekende zending opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. De griffier zendt een kopie van het verzoekschrift over aan de procureur des Konings en deelt hem de datum van de zitting mee.

Indien het beroep ontvankelijk wordt verklaard, wordt het bevel tot betalen als niet bestaande beschouwd.

§ 3. Minstens om de drie maanden of op verzoek van de procureur des Konings deelt de griffier hem een lijst mee met de bevelen tot betalen waarvoor de overtreder de opgelegde geldsom niet binnen de gestelde termijn heeft betaald en waarvoor de overtreder geen beroep heeft aangetekend of het aangetekende beroep onontvankelijk is verklaard.

§ 4. De procureur des Konings of de door hem aangestelde parketjurist, verklaart de in paragraaf 3 bedoelde lijsten met de bevelen tot betalen uitvoerbaar. Deze lijsten vormen de uitvoerbare titel.

De gegevens op deze lijsten die door de procureur des Konings of onder zijn toezicht, op een gepaste informatiedrager worden geregistreerd en bewaard, evenals hun leesbare weergave, hebben dezelfde bewijskracht als de originele gegevens.

§ 5. De procureur des Konings geeft opdracht aan de administratie, die binnen de Federale Overheidsdienst Financiën bevoegd is voor de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen om de geldsommen opgenomen in de in paragraaf 3 bedoelde lijst in te vorderen, volgens de regels van toepassing op de gedwongen tenuitvoerlegging van strafrechtelijke geldboeten, met inbegrip van het vereenvoudigd derdenbeslag bedoeld in artikel 101 van het Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken.

§ 6. De invordering gebeurt op basis van een uittreksel uit de in paragraaf 3 bedoelde lijst, opgemaakt door de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de invordering.

De overhandiging door deze ambtenaren aan de gerechtsdeurwaarder van een uittreksel, met vermelding van de datum van uitvoerbaarverklaring van de lijst, geldt als volmacht voor alle tenuitvoerleggingen.

§ 7. De Koning kan de wijze regelen waarop men dient te handelen voor het opmaken en de kennisgeving van de lijsten, de betalingen en de kwijtschriften.

§ 8. Als de overtreder aantoont dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het bevel tot betalen binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn om beroep in te dienen, kan hij dit beroep alsnog indienen binnen een termijn van vijftien dagen volgend op de dag waarop hij van dit bevel kennis heeft gekregen of volgend op de eerste daad van invordering van de geldsom door of op vervolging van de bevoegde administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën. De in paragraaf 2 bedoelde bepalingen zijn van toepassing.

In dat geval is de verjaring van de strafvordering geschorst vanaf de dag waarop het bevel tot betalen van rechtswege uitvoerbaar is geworden tot de dag waarop de overtreder het beroep indient.

§ 9. De artikelen 49 en 96 van het Strafwetboek en de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen gewijzigd bij de programmawet van 27 december 2004, zijn op deze procedure van toepassing.

§ 10. Wanneer de administratie die binnen de Federale Overheidsdienst Financiën bevoegd is voor de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen, de in paragraaf 1 bedoelde geldsom niet kan invorderen binnen een termijn van drie jaar na de ontvangst van de lijst met bevelen tot betalen, deelt zij dit mee aan de procureur des Konings. De procureur des Konings beveelt onverwijld de schorsing van het recht tot sturen in hoofde van de overtreder van een motorvoertuig en deelt dit mee aan de overtreder.

Deze schorsing van het recht tot sturen bedraagt :

a) acht dagen wegens het overschrijden van de maximumsnelheid met hoogstens 20 km/per uur en hoogstens 10 km/per uur in een bebouwde kom, in een zone 30, schoolomgeving, erf of woonerf, en voor de overtredingen van de eerste graad bedoeld in artikel 29, §§ 1 en 2;

b) vijftien dagen wegens het overschrijden van de maximumsnelheid met meer dan 20 km/per uur en hoogstens 30 km/per uur en met meer dan 10 km/per uur en hoogstens 20 km/per uur in een bebouwde kom, in een zone 30, schoolomgeving, erf of woonerf, en voor overtredingen van de tweede graad bedoeld in artikel 29, §§ 1 en 2;

c) één maand wegens het overschrijden van de maximumsnelheid met meer dan 30 km/per uur en hoogstens 40 km/per uur en met meer dan 20 km/per uur en hoogstens 30 km/per uur in een bebouwde kom, in een zone 30, schoolomgeving, erf of woonerf, in geval van overtreding van artikel 34, § 2, en voor overtredingen van de derde graad bedoeld in artikel 29, §§ 1 en 2.

Elk schorsing gaat in de vijfde dag na die waarop het openbaar ministerie de kennisgeving aan de overtreder heeft gedaan. Zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen zijn in deze termijn niet inbegrepen.

Indien er lastens de veroordeelde meerdere schorsingen zijn, kan het openbaar ministerie deze na de kennisgeving opeenvolgend laten ingaan.

De Koning bepaalt de formaliteiten die moeten worden vervuld met betrekking tot de uitvoering van de schorsing van het recht tot sturen.

Indien de overtreder inmiddels toch het geheel of een deel van de oorspronkelijke onmiddellijke inning of van de minnelijke schikking betaalt, zal er geen schorsing van het recht tot sturen worden uitgevoerd.